RIJMKRONIEK VAN KLAAS KOLYN

 

cold case onderzoek naar het auteurschap

 

 

Abt Nicolaas van Sassenheim (ca. 1200-1269, abt 1263-1269).

 

 

AFSCHRIFT VOOR MATTHAEUS III (1709)

 

Eind 1709 liet Cornelis van Alkemade een nieuw afschrift maken voor de Leidse hoogleraar Antonius Matthaeus III. Daarvoor liet hij zijn eigen nette afschrift afschrijven. Hij had het afschrift al eerder beloofd aan Matthaeus III, maar het was er niet van gekomen. Van Alkemade was nog aan het zoeken naar diplomata. Eind november 1709 toonde van Alkemade dit afschrift (of het deel dat daarvan op dat moment gereed was) aan de Duitse cultuurreiziger Zacharias Konrad von Uffenbach, die toen een meerdaags bezoek aan Rotterdam bracht. Von Uffenbach heeft daarvan enkele citaten opgenomen in zijn reisverslag (Ulms, 1733). Begin 1710 verzond van Alkemade het afschrift naar Antonius Matthaeus. Het afschrift was zo ingericht, dat er blanco bladen waren voorgevoegd en slechts de helft van de bladen was beschreven voor de aantekeningen van Antonius Matthaeus III. Deze heeft daar door ziekte geen gelegenheid meer voor gehad. In augustus van dat jaar overleed hij. Van Alkemade heeft nog geprobeerd om het afschrift terug te krijgen, maar het was zoekgeraakt. Op de daarop volgende veiling van de boeken van Matthaeus III was het afschrift weer present en is het verkocht.

Het algemene beeld van dit afschrift is, dat de afschrijver de tekst en namen vaak niet heeft begrepen en er maar wat van gemaakt heeft. De door deze afschrijver gehanteerde spelling is inkonsekwent en bevat veel leesfouten. Kortom het afschrift is ondeugdelijk.

HISTORIAEL-RYM van BROEDER NIKOLAES KOLYN van EGMOND

 

[1] s Lants geschichten wil ic oirconden

Zoe ic heb geschriban vonden

In den Kloester te Hegmunde

Zo bis t ons die boeken gunden

[5] Die daar zien van alde tyden

Cortelic van vele striden

Godingen der Greven vele

Hou is t arve quamp ten deele  

Zonder aterlyke strecken

[10] Oft met ter plum te spreeken

(Wen God beter vele beleggen)

Enkel waraft wil ic seggen

Ofte laten zoo ic vonde

'T es gesciet als te oirectide

[15] Over menig hondert jaeren

Toe de Neder Gauwen waren

Van den watere overloopen,

En ne mensken rote te hopen

Gaulen ende Spangen ave te loopen

[20] Emme der Kimper groet getale

Solkes weet men harde wale

Waren to mite doet geslagen

Zo das in arren sege lagen

Vvt der Sassen und gebueren

[25] Serbsten und to Immunduren

Al mit krafte overspanden

Adel batten uten landen

Te verdrunc metten wapen

By rade der bande Papen

[30] Ende Godeschalken wapen

Met die adel batte scharen

Die ne raden dese wiken

Die wi besitten te bestriken

Zonder slagh, wan zij ne wisten

[35] Daer ne woonden ni dar ti visten

Al dat land was leeg gelagen.

Dus bevonden zi di 't tagen

Het bevil tot haren hepen

Dus togen zi af mit schepen

[40] Mannen, have, vee, tien tijden

En begrepen zonder striden

Mitte kinderen ende Vrouwen

Tussen Rien en Wahl thie Gouwe

Wied en breid als ic verhale.

[45] Vele Greven zonder falen

Haben t' land bericht ter minne

Schriben nogte ik ne kinne

Wanen zi gestorven waren

Ofte an s Lants bericht gevaren

[50] Wan tie Runers ne ontbraken

Tie woizen skriban irren saken.

Onder allen die gewezen

Haben Greven, vin ic deze

Waremir, wis t oester Rhijnen

[55] Aafte sitsen hag , van Thijmen

Der Serbusten, zonder mere.

Wonder is bij dese kere

Das geen Runers ons oirconde

Van den steeden di zi vonden

[60] Of zi mosten ni geweesen

Haben desen keer mit ezen.

Terpen vind ic harde wale

Tie ic op ie stad verhale.

Katenwald die mitten eijser

[65] Van Romen Gillis eirste Keijser

Maekte daing over landen

Ende gaven er toe die handen

Zoo als t' lanch gebleven waren

Zonder schot of lot te garen

[70] Das geen ander land mocht beuren,

Want sij broeders hieten heuren.

Gillis Ziwers Bouwens zone

En was Broeder van die gone

Die genert als adel Grave

[75] Worp den Roemsen Arent ave

En den roden Libert plante:

Tese s kerel jair tie gouwen

Wes ke sworen had i trouwe

Over Albe hi se slachte.

[80] Ond verderf mit grooter krachte

Onder helpe Trier en Gallen

Tie vor zinen Libert vallen.

Tot i selve wurt geslagen

To Furstenborch en op Nimagen

[85] Liten Batenborge bornen

En ten batten waerde tornen

Over stroem, zo dat te male

Opte Brugge van de nau Wale 

Wurt gedainget van den peyse

[90] Waer hy starff, en op wat wyse,

Adel Greve Glaude schevelen;

Vind ic ni in geenen deelen.

In syn tyden, hier te voren

Was een adel wel te boren

[95] Her, wes name vind ic zoo

Dat hij heewte Brinio,

Die met sijne krieg gebarden

In de Kattenewyker worden

Twee Romeijnen blockhuijsen slechten

[100] En twee wijchen wan mit vechten

Ti men waand dat haben mit ezen

Brit en Romenborghe geweesen.

Daer ti barden gorven waren

Hoe den landen es gevaren

[105] Na de val des Roemschen ricke

En vant geen men sekerlicke

Weet, des heb ic mi ver..aren

Ander beuselyke maren

Ti di onbedreve luden

[110] Zonder afterdocht verluden

Is mi ni om waere te s hriven.

Des zo laet ic selve bliven.  

'T es geschiet als ics bevonde;

Mer den tyt ne vinde konde

[115] Das ten Englen und de Saxen

Mit geweren ende bordaxen

Mitte bazen ende vlooten

Haben utten lande stooten

d' Insaten van de Britten

[120] Welkers Heirtog was gehitten

Haren Engist ende Horse

Die gelijk een euvel orve

Al die Brittense Serjanten

[...]

[125] Tornede tot irren onvroomen

De Zund ten Rine inkoomen

Unde sloopen huis en have

Wider vind ik ni daer ave .

Dan das zy vor tegenwaren

[130] Haben in Gallien af te voren

t' Lant das si na irren namen

Hiten Bretangen al te samen.

Eer ti Saxen overquamen

In Britangen angespanen

[135] Unde vertriben vande Normannen

Gaan de lande die gelagen

Tussen maer Zee en Nimagen

Rien en Maze en Torp assen

Al die Goyen heten Neersassen

[140] Tot zi van ti wilde Vrizen

Harde geklopt, nae wych verlizen

Wiltenburch habben begeven

Ende zund over Ade vertreven,

Zo das 't Lant si al te samen  

[145] Namaels hite Frieslant bi namen

Hat den aar den Batenen wiven

Es so barelyk vertieren

Es nu niet bekand by namen

Wan ti swindel onbequame

[150] Ti de landen overlopen

Mette krieg en wuoste hopen

Schinden barnen en dan roven

Alle kansten gaan verdoven.

Vele haben twifelt sore

[155] Of ti Tietsken emmermere

Ti Bardsangen te skriban ploenen

Mer das solks bestonden doenen

Hat ie ia voor overwaren

En ti Bande woizen leezen

[160] Ti nog overig haben werde

Minen dagen, binnen Hegmunde

Zolkes hab ic zo bevonden:

Alte bouken ons verkonden

Das ti Sales sint vertriven

[165] Ende baden om te bliven

Wonen onder Battenenwierden

Mer ein ander Tiel begierden

Der quaden Zund van Saksen teile

Wider ti Salers overpeile

[170] En ti Salers hadden gieren

Overmant te Battenewieren

En ti Landen ingehalden

Folkes ook vermaaken salden. (?)

Dan zi wierden afgeweezen.

[175] 't Es geschiet niet lanch na desen

Dat ti Sicambrinen, Salen

En ti Usipers bi malen

Battenewiren en ti Friesen

Namen over Rijn te riesen

[180] Als si deeden met veel ander

De lijne volgede malkander

Tegen Roemen wilden zi striden

Des sy deden in ti tyden

Ende Franken zien by namen

[185] Land en en luden al te samen.

T es geschiet gelijk wij leeren
In t geboertenes ons Heeren

Daer omtrent of zo waarachtich

CCC LXXX VIII [= 388].

[190] Tot di Gaulen overgingen 

Ende Franken naam ontfingen.

Dikke heeft et mij verwondert
Dat die Vorsten hoegvermondert

Van Frenkerike hier te Lande

[195] Hadden hoeg bestier in handen

En ik merket over dezen

Of si niet wol haben wezen

Vander Batenewieren bloede

t Sterke mij in dit vermoede

[200] t Wapenschild en rood Libere 

Das sy voerden in den weere

Ende namaels overgeven

Haben weder onzen Greven

Miete gravelyke banden

[205] En bruin schilde van Vrieslande

Dar die grooten striet om ware

Eir zi hulden wolden here

Waen nemont word oic gelezen

Irrer Fursten, eirst gewezen

[210] Mer ti adel Waernemunde

Wonen huden unse grunden

Ende Kotewich men achte

Zie van Greve Gerolfs geslachte

Welkes sint daer nae in handen

[215] Krieg das Greefschip Tiesterbande

En zin ander oir bevonden

Wurt ein Greve op onsen gronden

In 't jaer ons Heeren gepresen

VIIIc end X by desen

[220] Als Koninck was sekerlijke

Kaerle de Groote van Frankrijke

Quamen ti Noren bi geleide

Van irren man Gottric, beide

Mit schioten CC, en onse veele

[225] Roefden Frieslant an drie deelen

Ende sloegen ti Friesen beide

Harde in drie staande strijden.

Kaerle hoerde solke maeren

Ende bereijde in te varen

[230] To wederstant, wanneer i hoerden

Datten zine luden vermoerde

Ruste Emmingen te bestriden.

Meremals tot anderen tiden

Deden di Noren groete skaden

[235] Onder Noric si bestraden

Uterichten en namen

Betenen wike te Duirsteden samen

Ludewic die goede heere

Als hi berichte, quamen weere

[240] Di Normannen opgevaren

De Wahl mit schaeren

Ende Nimagen zi wrooten.

Ban berose liet ti sloten

Mede maeken als wi hooren 

[245] Di ti Noren deden ti storen.

Dagobert bestreet ti Friesen

Ende dade in verlizen

Den slagh mitten Bontawalden

Ende wat Friesen i behalden

[250] Langer als zin glavi, liten

Datelyc dat hoeft afsmiten,

Wiltenburch dede hy storen

En om t heiden diet bekoren

Dede in ein Kerke richten

[255] Van S. Thomas op ti trichten

Adgilt berichte ti Friesen

Ende na hem ti verrisen

Radebolt ti onse here

St. Wolfram wilde bekeren

[260] Ende lieten zo belopen

Offen wilde laten dopen

Mer wen i sien voete plonte

En ti ander in ti fonte

Zetten wolde, sprak i mijn

[265] Seg, mal weer mien Alteren zyn

In ti himmelim, of weder

In ti hel gevallen neder.

Wolfram antwoerde hem, das

Al wie ongekerstent was

[270] Storven, wisselijc verloren:

Wal sprac i ixc laets u horen

Das ic bi das meerder erven

Van minen alteren nae mien sterven

Dan wil wisen vrij van schanden

[275] In Wodins over zelig landen

Tan mit luttel arme Christen

Ti mi twintich nimmer wisten.

Uten fonten is hi togen,

En tum derden tach gedrogen

[280] Gravenwaerts om sien gesellen

Zien en spreken in der hellen.

Korts hier na sien wederkomen

Over zee die fel onvroome 

Wreede Nooren ende roven

[285] Al dat land an zee gesonden

In tie havene van Hegmunde

Die de hegge plach te heeten

Eer dat bedehuis te weten

Daer in lange was gestichte

[290] Die nu after Dunen zwichte

End sunt to Nortika komen

Daer si tegen trak ti vromen

Greve Grolff en Tibbold agen

Rinesburge, daer zi lagen

[295] En te wan dat Noerze heere

Was te kraftich in tie were

En te li vel wurt e dragen

Bleven zi te beide slagen

Dat harde droeve was den goen.

[300] En ti heilige Jeroen

Greepen si en deden wilen

Groote pien, staken met pilen

In ti lyve, en bornden over zeere

En te spotten allen seere

[305] Onsen Heer ende Onthoven.

Zeelande zi oec beroven

Daer Greve Eggaert halpdams sone

Bleeve in ti weer die gone

Ti neden datten wederstoet

[310] Greve Gerolf was sy goed

Dat ti Noren onderwonden

Te beraden, wanze versonden

In gesantschepe nae den skine

Aan den Keijser Karele ende pyne

[315] Die en sond hiet Gotefriet

Ende onderwiel vertriet

t' Noertze volk met sine goeden

Hoe ik daer ave was te moede

Mach een yder proeven wale

[320] Wat holp in of veele talen

I ging zo den Noren ave

Ti en hadden gelooft veel gave

Konde i de vrede betraken

Das si kortelinge braken

[325] Ende namen daer toe das sine.

I adde verkregen mit groette pinen

Trouwe daden Ridder banden

Van Koninch Aarnout van Frankenlande

Mette zegelyn en brieven 

[330] Sommige landen al hun liven

Die alt zamen waren sine

Zuder Schagen tussen Rine

Tussen ti Noert A en Ooester Sasson

Geiste land en holtgewasse

[335] Ein hoeve in Bodenladen Grave

En in Alpen bruuk twee haven

In Olthornunc eine hoeue

En in Huwy ein manse towe

Te tolen asleke een manse als vooren

[340] Met al watter toe mag hooren.

Te Franken waerde was 't gegeven

En met teiken onderschreven

Nae ons Heeren geboerte wegen

In t jaar VIII.c LXXX ende IX [889].

[345] Die wanneer i opter straten

Hadde in Fonerborg zien lief elaten

Was den Lande zonder Greve

ti ander Noeren bleven

Te Vleretelingen en vesten

[350] Tegen ti Frenken al haer besten:

Kinder ad i twee bi namen

Titeric en Walgeer samen

Beide jonge zonder tide

Ende onbequame te stride

[355] Ti irren moederes zuster anke

Namese to si onder ti Franken

Ende leerden se kerstijnheden

Ende Ridderlyke zeeden.

Deze Walgeer t' eener wrake

[360] Dede voer zin Vader smake

Erhanden ten Noerman ti doet

Die en utten zadel skoet

Op tie jachte onder t jagen

Ende wurt oic selve slagen.

[365] Zo dat Titeric alleine bleef

Ti innare worde Greef

Walgere is also gestorven

Ende Tensterbande bedorven,

Dat i hadde als Greve verkregen

[370] Daer nae ist eldirs beslegen.

Kaerle ti Simpel sekerlike

Di das sweert droege van Frenkryke

Om datter vele kwamen tie Noren

In Frieslant zine landen storen

[375] En ie beschermen niet ne mochte

Hi dus allerierst besochte

Titerike te geven in handen

Ti Bordaxe van ti landen

Datti beschermen zolde voirwair

[380] Zine luden al to gaer

In dat Kerstelyke gelove

Als him Gode van boven

Gepreket van Sint Williboert

Ti Pippijn alse hy hoert

[385] Zant, int borenes ons heeren

Ses honderd negentich en viere [694].

Ti Friesen Gode te doen kond

Totte Westcappelle hy vont

Ein Godze Wodin aenbeden

[390] Mercuriose nae heydenze zeden

Den i brac, onde terstont

Wurt i swarelike wond

Van ti Mercuriose wagten

Efter preekte hy mit krachte

[395] Oestwaert onsen Heere te recht

En te quam al to Uterecht

Storen die Gotten onverholen

Alsse Paus Serges hadde bevolen

Ti en Aertsbiscop heeft ewejed 

[400] t Utrechten i liet

Zynen stoel ende bekeeren

Vele luden te onsen Heere,

Angels uten Neer Saxen was

Van Northum-berlanden das

[405] Ons tie Schreften laten horen

Sinte Willeboerd geboren

Ende preekte si te mael

Gode in tie Friese tael.

Nu keren wi weder gelike

[410] Totten Greve Titerike

Das Greefschap Hollant gelagen
Unde bericht unse dagen

Billike unde na wens

Adel heere Greve Florens

[415] Is ein stik van Friesland voren

Gewesen, alse wi horen

Woe ti Friesen, Anclen en

Saxen mette Allemangen

Verhiven over in Bretangen

[420] Dus tie in ti landen bleven

Was de naame Friesen geven

Sus die altesten in recht

Unde fane Franken gestecht

Mitter groeter Mogenthede.

[425] Friese was bekant van zede,

Greva Gerolf uut wi geliek

Namaels heeft Titerick

Das swaert geheven als regter oire

Di wrede Noren te stoire

[430] Als hi dede ende kreeg

Brieven ti ic ni en sweeg

Fan Karel ti Simpel mede.

"Inder drivoudigheden

"Name Kaerle Konink geliek

[435] "Van Oest ende West-Frencriek.

"Als billick is en wy verstonden

"Onsen lieven op onsen gronden

"Tegen alle uutheims gewald

"Te beschouden, dus zi gestald

[440] "Al by onser Mogenthede

"Mit volle magt ane te leden

"Ende ave na behoren

"Zo dat was hier te voren

"In sin Graefschepe bekend

[445] "Ende over daer omtrent

"Onsen getrouwen Tiderike

"Dat i daer af geven blike

"Ende elk hem volge heden

"Met desen brieve na Kersten zeden

[450] "Dies gaven wy hem dat gebiet

"Na goet ende ripe beliet,

"Over landen ende luden.

"Als hier neven wi beduden

"Ti hem eigen ne waren niet al

[455] "Voortan zint by dat geval

"Groelicke wy bevesten

"Over ti nakommers te leste

"Hem en de sine an t oud gebied

"Van al wat hem eygen hiet

[460] "Dat hem God starke daer boven

"Over het Kersten gelove

"Voer te staen al mit macht

"Jegens dat heidens Diets kracht

"En gewald, en ave treken

[465] "Van Kerstens die trouwe breken:

"Dus geven wi hem daer vrank

"Das swaert over, bread en lank

"Te gebieden allen kanten

"(Uutgenomen eenige Landen

[470] "Ti onsen stamme eygen sent

"Daer en die breuke of word gegunt

"En di tienden te heffen mede,

"Dese bliven ons ter stede

"Met horen rechten bewaert als voor

[475] "Datter niet ave ga te loor)

"T Land dat hi sal berigten

"Oestwairts bepaeld na ti Trigte

"Tot zuut hardes hage

"Bij Bodenlodengrave gelage

[480] "Daer sijn Vaders Greefschepe gelag

"Als 't was op desen dach

"Tot t' Weste by Katiks ende,

"Zuetwers Fortrape belende

"Ende Noirtwers zy t and

[485] "Daer men die beke Kinheim vand

"Aldus gedaen ziende op heden

"Willen wi dat om si vrede

"Van iegelike in sijn bezit.

"Ende die en jegens stit

[490] "Datmen hem ave doet rumen

"Ofte straffen na der Costume

"Daer die mesdaet gelegen es

"In t jaer der geborenes

"Ons Heeren hoeig verwondert

[495] "Vut einer Maget negen hondert

"Ende XXII [922] bat

"Gegeven tot Aken in die stat

"Oppe Paesavond ten leste

"Met onsen vingerlink beveste.

[500] Dese Koninc Kaerle goet

Gaf namaels metter spoet

Tot Bladelle in den jare

Negen honderd overware,

Ende drie en twintich [923] bat

[505] De reste van dat hi besat 

Al in Titerics mogenthede

Tot een eygen erfachtichede

Hier voren geroert in vrede

Over bede van Greve Hagen

[510] Die kerke to Egmund gelagen

Al met dat geestelik gebiet

Dat jegens Fortrapa stiet

Ende Kinheim alsmen siet.

Bedi heeft i oic verkregen

[515] Ein gifte te eender wege

Jegens syn wive Hildegaert

Tie en Aernout heeft gebaert

Te Gante, in hore Mogenthede

Dat sy voegen zoude mede

[520] Wasda dat foreest

In haer mogenthede t meest

Aen syn Graafschepe alsvoren

Met al wat er toe mach horen

Dit gaf en Lowies met min

[525] Doer syn wyf Emme tie Koningin.

In zin tide wiert evonnen

Dat lyk Aelbrechts van eine Nonne

Datmen verdroech te Egmont

Ik moet ti seggen goed vond

[530] Datte de jesten ons ontbreken

Om dudelike te spreken

Van vele dingen als ic wil:

Dus zo bid ic alle stil

Dat men mi quite of iks fale

[535] Ofte argens inne dwale

Want ik slegtelike seggen sal

'T Ware dat ic vinde al.

In dese Titericks tyden

Waren vele Wychen ende striden

[540] Metten Friesen, ti ne dulden

Woude nogte billic hulden,

Tog zi worden wale gedwongen

Da ze iem over Heere ontfongen.

Sinte Jeroens gedenkenis

[545] Oik van dese Tiedric es

Van Nortika to Hegmund gedragen

Daer i nog ligt zinderlage

Ende het holte kloister daer

Dat ontdede hy voorewaer

[550] Ende richte het weder van steene

Die Nonnen oic soude ik meenen

Heefte hi mede onverlet

Over to Binnebruk geset

Ende setten in wat vorder

[555] Tie van Benedictus order

Ende gaff te Monnicken goet.

Jeften vele in overvloet.

Zin wive Hildegaert mede

Gaff in veele dingen met rede

[560] Tafel schoene sonder joek

En siere Evangelien Boek

Vol adel steinen en goude

Das si nog in eeren houden

Egbert irren zoene fier

[565] Tie Aartsbiscop van Trier

In Bretangen van ir geboren

Gaf den Godshuse te voren

Gemeldet, mede goeden veel

Als oic syn sustere eel

[570] Arlinde scank en misgewade

Kostelyke en van stade

Ende was als ic hou gewis

To Binnebruke de ierste Abtis

Titeric verworf oik mede

[575] Overmits Theofanen bede

Van Conink Otten, en zin Zoen

Egbert te biscop schoen

En te Otten neve Henrik van Baren

Hertoge hoge overware

[580] In vraien eygendoeme, wat

I van iem te lien bezat

Tusken tie wateren Langir ora

En ti Iesle overware

Dat holtgewas en lande trou

[585]   Mit ti hoeve Sonnemaer gou.

En watter tusken ti ade lage

Van Medenblek en Marken tagen

Geneloos aer, en al das

Jem tot Texela eygen was

[590] (Wtgeseit dat Huuslade ten degen)

En dat in Kinheym is gelegen

Ende in Maesland gaf i em

Met al wat er hoert an hem.

Dese Titeric voirscreve

[595] Is gevaren ten lange leven

Tot Hegmund daer i fier uutvaert  

Twee jaren nae Hildegaert

Isse gelegt en begraven

God heeft bider de zielen ave

[600] Want i storf 't jaer waeragtig

IXc en LXXXIX. [989]

So dat i berichte voirwair

Omtrent LXVII jaer.

Arenout ti twede Greve

[605] Synen Soene is gebleven

An 't bestier, ti men voirwair

Nennet Arnout ti Gantenaer

Want i van sin moederes wegen

Ti burgscape hade verkregen

[610] Voir Egebert sin alve broer

Ti na Trier as biscop voer.

I aefte bi sin vaderes leven

Ende jem wurt ten wive geven

Ti dogtere van ti Keyser Faen

[615] Grieken de kleine Romaen

Genant Luytgaert zeer schoene

Ende doegdelyc van persoene

Waer an i wan mit 'er vaert

Titerik ende Sivaert

[620] Sicke genanet ti ir nare

Jem doet sloeg doer vare

Toeg i na Kastrichem, daer i

Fane Goswin uut Frieslant, bli

Wirdt gehalden ende ontfaen

[625] Waer ute is ontstaen

Doer praten ende wyven trien

Ofte andere toverien

Datti Tietburge nam te wijve.

Zin broeder wilden ontliven

[630] Opt laetste wurt et gedaingt

En te i van Kanemerlaingt

En Frieslant gehult overware

Jegens sin broeder openbare

Tese Sivaert krege ien Soen

[635] Titeric genant schoen

Uut Tietburge tie nae desen

Van Breaderhoede iest gewesen

Die ierste Baroen in Zevenburg

En Godefried van Lutselburg

[640] Toe nu Arenout als Greva

T swaert hadde opgeheven

In sin Vaders plaets overwaer

En te i fan te Friesen slaen

Ta Zudermuda wilde gangen

[645] Na kastuime 't schilt ontfangen

Spraken si overluut,

Ze ne wilden van im gebruut

Niet sien, nogte iem hulden

Nogte sine dwank gedulden

[650] Ier toe gaf im himlic regt

Zo t' skeen ti Biscop t' Uutrecht

Egter trok i de hant daer ave.

Mar ti Friesen ze ne gaven

Daer omme te mende niet.

[655] Des hem Aerenout onthiet.

Ende trak se te Winkelma tegen

Daer wort fel eslegen

En ti Friesen hi deden 't pad

Hier bleef verslagen dat

[660] Zy s gewis, tie jonge Heere

Met den sinen in ti were

Als i vijf jaer had berigt

Zyne kinders waren ligt

D' oudste twaalf jaren gewesen.

[665] Dus was t' land alomme in vresen

Zin wive starf kort na iem

Van droefheid des geloeven wi hem

Ente is tot Hegmund begraven.

Verders vind ik nie daer ave.

 

TITERIK de III.de Graaf.

 

[670] Tideric volgde iem toe dan

Int berigt, ien stout man

Alsse gy sult kurts hoeren

Tie darde Greva geboeren

Aernouts outste soene, tie

[675] Te riese Friesen al so nie

Wilten ontfaen wie sin Fader

Dus liet i se te gader

Ien pais, dat se sik boraen

Weder im hulden wouden of slaen.

[680] Tie Friesen na ripen raden

En te vresen voir scaden 

En wrake voir des Grevan doit

Haben Titericke geboit

Se wolden ien hulden op condise
[685] Dat i ze die ierste prise

En pine schelden zolden kwiet

Nenne gedenken to ginder tiet

Jegens te leit iem wedervaren

Jefte zin vader over dem haren

[690] Dat ze de Tienden gaven vri

An den Greva, en dat i

Ze selve zoude laten garen

Ofte vermangelen zonder swaren

Na sin wille en geer

[695] En te watter toe hoirt mer.

En te op hoir costen varen

Jegens ziner viants scaren

(Dat em wale quam daer na)

Sus gaf i ze zyne gena

[700] En 't wordt gedaingt: hier nare

Isset em wedervaren

Das ti Biscop van Trigt, Luyka

En te van Trier, to gebruika

Van der jacht en Visserijen

[705] Namen in als eigen mitsdien

Het holt Mereweda te male

Daer die Mase en Walhe

Jem vermangen tier stont.

Dit was Dietrics gront

[710] Des i sik opmaekte en werpen

Daer op ien veste en Terpe.

En nanden t Doer Trigt.

Dat mer boet hive op ligt

En sware mangeling of vragte

[715] Ti bi dage of nagte

Die Ade oppe of neder vaer

Dit namt ti Biscop swaer 

Van Trichte en klaegdent ti Keyser

Henrike ofte ien weiser

[720] Zinde onrecht adde gedaen

Ti Keyser op solk vermaen

Jeft en getroest en geboden

Aen Hertoge Godenfroden

Van Ardenne sidenvaert

[725] Te beschrijven in t Betauwer waert

En te van Nimagen te faren

Tot Alleblas mit zyn scharen

En ti Greva opte te slaen

Tieterik ieftet verstaen

[730] En trok mette Vrisen oppe.

En te besatten en stoppen

Ti Gyzenbrogge des man

Kwame opt water an

Mit skuten by nacht zonder skiten

[735] Jefte roepen, dat mag mi spiten

Sprac ti Greva das si 't ontgaen

Zin sus sinne slaen.

Maer sprac i tot ti Friesen weder

Mannen in trouwen gift u neder

[740] In die lage opt lest

Ier zi vaste sin gevest 

En greep ane met fellen moede

Voerseker ik sta u goede

Alse gi treft voren ane

[745] In ti side wol ic se slane

Wes sonder angste of vare

Hoewel zy vele schaeren

Zint enne onser korte getal

Ane Godes hant hangt al

[750] Dus haben de Vriesen begonnen

Ende worpen die tonnen

Ave in ti Morgenraet.

Ti wych word harde en quaet

In ti moen en ti Grave

[755] Trof toe dus gaven

Di viants sik in t wet

Ein stem riep: Vliet, Vliet

Men ne weet van waer t' luit is komen

Daer liep ti Haertoch ter stroomen-

[760] Waerts en elc volgde iem naer

Dat krygen wort fel en swaer

Tussen ti Baxen en scuten

Opt lant en daer buten

Vil menien man ti Biscop
[765] Kumth cume met kleyne trop

In ein schep en ist ontlopen

Tegen zin wanen en hope

En is bi di zine gestelt

Dus hield Greva Tierik dat velt

[770] Met grooten bute en blif houwen

Meneweda, Alleblas, en ti gouwen

En stroomen in syn gewout.

Ti Hertoge wort quite schout

Al utten vangenesse

[775] Alse het wurde in daingenesse

Gebragt ende Tiederick

Oefte ien wyve scoen en ryc

Ti Othilt hite by name

Taer i namaels ave bequame

[780] Titeric en te Florens.

Sindort krege hy dat gepens

Dat i woude varen mit eeren

Tot das helig graf ons Heeren 

Ti ierste Greva di dat bestoet

[785] Ente alse hi weder goet

Was gekamen bi den zinen

Bedagte hy tesen pine

Te gevan ane Sint Alebrecht

Tot Hegmunde te regt

[790] Veele dingen ter stede

Alsse sin broeder Sikke mede

Dade en starf en legget terstont

Met sine wive al tot Hegmond

Na ien hielt Tidrik weder

[795] Kenhemare en vil neder

In kranchede alse hi

In ruste dat lant bli

Langen tide had beregte

Over herren en over knegte

[800] Ic heb verstaen al voirwaer

Dat hy stierde XLVI jaer

Ende legget mede t Agmund

 

TIEDRICK de IV.de Graaf.

 

Sinderlage. Ik seg sint

Is in t berigte gevaren

[805] Zin kint Tiedrik overwaere

Ti ni lange Greva bleef

Want so alse men screef

M. XLVIII [1048] ons Heeren

Jare, zo rees die veete were
[810] Tussen di Keysere en zin trien

Jegens ti jagte en visserien

Ti stonden bi sin vaders tijden

Ti Keizer quam af, to striden

Omtrent Paesen al in dat Tricht

[815] Ente bi ien quam, niet ligt

Ti Markgreva fan Braban

Al mit menig stoute man

Zi kamen ave te skepe

Na Fleretelingen slepen

[820] Daer ti Greva Tierik was.

Ik moete u sagen das

Ti Biscop Wase had groeten vaer

Als iet wale bliek daer naer

Zin volk te ledene ter heervaert

[825] Hi bleef after in tie staert

Ende wurde alsus te moe

Dat hy blotelicke sag toe

Hoe tie wych slde vergaen

Ti Keysere ginck beslaen

[830] Zyn heere alom den Doer-trigt

En wan tie Vesten nie ligt

Ente trak ave te Fleretelingen

Greva Tidrick kwame bespringen

Met ligte skuten groet getal;

[835] Ti grove schepen ni smal

Volgde nare metter ebbe.

Twi stiter jegen die grebbe

Ende sat vaste int murch

Ti dage wurt Kenenburg

[840] En Fleretelingen alle verrast

Mare alsse het watere vast

Woes en ti jongen Greva

Ane kwam, en daer ave

Ten diek schilicker doerbrack

[845] Dien ter halverwegen stak

Zat Keyser Henriks heere

Al om blank in dat meere

Ti Keyser selve liep gevaer

Sus kon i ja daer en naer

[850] Verdere niewers nie geraken

En moeste de togt staken

Onverrigt en kerene wedere

Greve Tierik zinde das heere

Breken en ti geweren swanken

[855] Al in roere en datte planken

Ontbraken vil met menie boet

Op tie schepen en nam ze daer stoet

Ti mogende Keysere begrepen

Van wenige Frisen, zonder schepen

[860] Int slyke en trak ave.

Daer vil tie jonge Grave

Metten sinen in ti staert.

t Heer worde te barentaert

En ontdane wo vil daer bliven

[865] Zolen wie ja ni ligt skriven

Ti Keysere selves kwam

Kume daer ave t' Utrecht gram

Op Biscop Wasse tier stonden

Ente dwongen CCC ponden

[870] Zilvers ave ware het regt.

Grave Tierik trak regt

Op den Doertregt ane en wanze

Daer begaffen de kanse

Dat tie Hertoge van Braban

[875] Van ten sinen himle zan

t 'Oertrigt ane den boem, datze

Ti adel Greva Tierick verratse

Als mit ien vernynede strael

T is gesciet als ik verhael

[880] Dat i starff vane dat hinder

Sonder wyve sonder kinder

Alsus opten Doertricht

Negen jaeren jeft i berigt

Zin Broeder Florens volgede mede

[885] Alsse regt was in sin stede.

 

FLORENS de V.de Graaf

 

Dese Florens ti viefde Grave

Nae s broeders doed, segge ik aefe

Dat i huwede ten wyve

Adeleke persoen van live

[890] Hareman van Saxen Hertoge

Kind daer i ave kreeg

Ien Soen en Dogtere van deeg

Tie ane ti Kroen van Franken

Hilickede namaels hogen

[895] Hi gaf mede veele in danken

Den Godshuse t'Agmund

Over ziender wyven gunt

Tie Geretruden hete by name

t' Is iem overkamen

[900] Dat ti Hartoge van Braban

Ti Biskop van Keulne on

Ti Heare van Kuick mede

Utes Keysers name strede

Op Grave Florens omdat

[905] I in syn gewout besat

Ente als zin vorders hieven

Het trigt op ti Merwa griven

In doer groete lasten swaer,

Dus togen sy op aldaer

[910] Mare worden tegen wille

Ontdaen, daer sat stille

Ti Biscop al van Wtrigt

En te ne darve sik in den twigt

Steken uut angste en vare

[915] Florensse mare

Ging over alle dat land

Zo dat sine felle viand

In gien poert peinsde seker wesen.

T es gesciet alse wi lesen

[920] Op ienen dach dat i sloeg

By Hamert vreselyke genoeg

Tusken ti Maze en Wahle

Ente gink mat onder ien boem

Liggen to ruste tot en droem

[925] Aldaer kwamen ane gereden

Ti Heeren van Kuuk in zijn geleden

Tie en verraste en sloeg en doet

Dat was ja jammere groet

Voer hem en ti metten bleven.

[930] Dus voer i ten langen leven

Ende begraven tot Hegmunt

Alle t land sting over unt.

Dit heeft sik alzo vervaren,

Als men schreef Goets geboerte jaren

[935] M. LX ende ien [1061]

Alsse hy der jaeren dertien,

Holland hadde berigt als Greve

Zyn wive Geertruut is bleven

Aen t bestier jegen hair kroist,

[940] Ende want zi beloefde troist

Ende helpe diese stuwde

Ist beslagen dat sy huwde

Die oudste soene van Boudijn

Vanne Vlaender dat i sou syn

[945] Voegd jegen ten jongen Grave

Daer oic tese Robregt ave

Den name Robrecht ti Vriese behalt

Want voir Godevairt metten balt

Hietmen van Frieslant Grave

[950] Ende dit kwam hem dus daer ave

Hi hadde als Voegt het land bestelt

Achte jaeren tog met gewelt

Die gebochalde Govairt heenen

Op Hollant zoude ik meenen

[955] Toeg met grooten heer

Biskop Willem in ti weer

Van Verigten halpen mede.

Robregt moest ruimen ti stede

Ente trak na Vlaenderlant

[960] Dat hy krege als Grave in hant

Deze builtrugde Govaert

Prante regte voer sin paert

Op Holland om dat vore lange

Zyne Voerder ti gevangen

[965] Hertoge Godefrooi van Arden

Wien Tierick ti darde pren

In den slag van Henrike

De Keysere toen zikke

Volgens onregte breven gewan

[970] Sommige dingen als 's Vorsten man.

De i met Biskop Willem hive

Van ti Keysere als syn live 

Zy verworven beyde te hant

Jegens Geertrude al Hollant

[975] Onder hen beyden te schikken samen.

Zy mogten s hun billijke schamen

Zolken aterlyke bestaan

Het isse Biscop Willem vergaan

Alsmen segt want i onder

[980] Godevaert halp bizonder

Holland dat i vire jaer besat

Met gewalt, als menic pat

Opten Oest vriesen had begangen

Scade gedaan en ontfangen 

[985] Dat i als alle tyrannen ploen

Niet ondere voer zonder bloen

Zittende op een himmelikhede

Tot Delft wiert i beneden

In sine fondamante getreft

[990] Van Tiriks knape Gyselbregt

Ente lieten t' Wtregte dragen

Daer i starff mit felle plagen

Ente willem kort na iem

Ondervoer, dus hoerden wi hem

[995] Tot nog was Holland zonder zyne

Heere dat en dede pyne.

 

TIETERIK de VI.de Graaf.

 

Titerik die sessede Grave

Ti uut zynen Vaders have

Van Godefaert ti Billioen

[1000] Was gedreven is die goen

Ti mit zynes stiefvaders magte

En der magen hulpe tragte

Nae zyne erfachticheyd stout

Biskop Willem had gebout

[1005] Een vaste burge t Iselmonde.

Dare toe Coenraed tier stonde

Oppe was dit ieft verstaen 

Grevan Tierick en gink en beslaen

Alomme en trac sine schepen

[1010] Tegen opt Mereweda daer grepen

Zy mit fortse ien ander an

Dieterick wast ti de wyge wan

Ente stormede opt Slot

Ende schoter oppe tot

[1015] Iet in den brande rogte.

Dair halp gien water dat ze brogte.

Ti knegten het moest ane den grond

Biscop Coenraed wurde gewond

En gevaen zoo men mi zeijde,

[1020] Tien Greva korts los leyde 

Dus gewan hij mit mogender hant

De zegen en trak int lant.

Hy beregte dat lant in vrede

Vyftien jaeren ente nam mede

[1025] Een Vrouw ti hiete Othilt

Ente wan alse gy weten wilt

Ein kint Florens in zinder steden

Hij hevet begiftet mede

Dat Godshuys t Egmund aldaer,

[1030] Starff in ons Heeren jaer

MCX [= MXC] en iene [1091] mit vrede

Legget daer oik zinder stede.

 

FLORENS de VII.de Graaf.

 

Na iem quam ane dat bestier

Ti zevende Greva getelt alhier

[1035] Florens ti te bovene gink

Zyne vaders in menien dink

Den Oeften ane Vrou Peternellen

Tidrix dogtere als wy vertellen

Van Saxen wes broder Lotair

[1040] Wurde Keysere te Romen voirwair

By desen wyve iefti verkregen

Twie sonen by Godes wegen

Die men Diderik en Florens hiet

T es geboert alse men siet

[1045] Dat ty Greva gink wt jagen

In dat holt van Kriele daer zagen

Zyne knapen ter selver sta

Ti knapen van Galama,

En tie benamen en drie honden

[1050] Alse dat Galama ieft bevonden

Sprek met dollen en arren moede

Dit geve my God daer toe

Moet ik ten Grave en hi min schade

En hoen niet beteren wil ter stade

[1055] Zoe ik ein vrye Friese ben

Zal t en vergolden zoo bat ik ken.

T es geschiet na corte tyden

Dat ty Greva kwam ryden

Ter jagt zoe hy te voren plag

[1060] Galama was dair i t zag

En spraken en ane in arren moede

Onbeskoft diu sulst vergoeden

Heare Greva en te beteren mien scha

Ti Greve sprak als ik versta

[1065] Datty behoerde met beatter eere*

Te gemoeten  zin lands heare*

Ente terwijlen i nog sprak

In dier voegene, zo trak

Ti reyse Galama zin gewere

[1070] En ieft den Greva toe gevoren

Ente quetsten in den arm

Die knape schoet toe mit gekarm

En tie ieft Galama doorgraven

Dat i nedervil daer ave

[1075] Ente ti bi im woren zien

Cume ontlopen met grooter pien

Dit es gesciet alse wy leeren

In t incarnation ons Heeren

XIc. en XII. jaer. [1112]

[1080] I verbeterede voirwaer

Dat Godshuise t 'Hegmunde,

Ente gaf en als wy vermunden

Jeften vele tier stond

Ente storff als wy doen kont

[1085] In zinder joget ons Heeren

Jare XIc. en twint meere

Jaren en twie [1122] alsmen mi segt

Dat i toe Agmunde legt

Peternelle zyn wyve es bleven

[1090] Houden voer haer en dare neven

Ire kinderen in hant

Dat berigte over Hollant

Ende gaff vele metter ile

Den Godshuse, voer hare mans siele,

[1095] Den zy te Rinsborg hadde gerigt,

Twaelf jaeren alsemen ligt

Bevant nae irre mans sneven [1134]

Haer Broeder ieft zy geheven

Met er halpen al tot ti kroen

[1100] Ente hadde te voren schoen

Den Keysrs dwanck wederstanden

En in stade gestaen den Lande

Ente starff ave overwaer

XIc en XLIII jaer

[1105] Ende laget te Rinsborg begraven.

Date zy vele gaven

In hore tiden ane gaf

Verder vinden wi ni daer af.  


TIDERIK de VIII.ste Graaf.

 

Tiderik kwam an den berigte

[1110] Na sinen Vader als ti geschichten

Ons seggen vanne desen tied.

Daer rees grooten stried

Tusken ti Vriesen en den Grave

Oppe dat yse daer begaven

[1115] Ti Friesen sik nae Allekemaer

Ente vloeden were van daer

Over des Graven gewald en heere

Daer bornede men sere

t' Allen lanse dat jammere was

[1120] s Graven broeder zyt s zekers das

Ti ter eeren was genegen

Florens genant, had ter degen

Gonste over alle genoech

Des hy fire mit ongevoeg

[1125] Moedere en Brieder bragt in aren

Moede. des hi en spoede voirwaren

Al nae Vrieslant bi ongedult,

Daer wurt i over Heere gehult

Ente barnede Allekemare

[1130] Ti verpinede Kenemare

Mosten ien hulden zi wilden of niet

En ti bornede alsmen siet

Alse te Haerleme komen waren

s' Heeren huzen, dat en sware

[1135] Bekam, want Tiederik

Viel oppen ende nam riek

En arme in zinder gewoude.

Als dit Keyser Lothair bescoude

Zant i ti en met jonste en magt

[1140] Den gebroeders daer toe bragt

Zoo das zy den paise betraken.

Tese Florens van wi maeken

Ons woort, alse gy hoirt

Is korte om ien wief vermoirt

[1145] Van ti Heare van Cuuk te Trigte

Ente Aerensberge ti stigte

Zolk verraet daer hy storf af

Te Rinesborge ligt hy in t graf

Ente ti moerders mosten lange

[1150] Zint ballink dat ien vil bange.

Dese Tiedrick vinde ik af

Dat i tot ons Heeren graf

Mit groeter geere is gevaeren

Als men onses Heeren jaeren

[1155] XIc. en XL [1140] schreef.

Van den Paus hy verworven heef

Vry brieven ter selver stonden

Den Rinsborge en Hegmonde.

Hadde ien wyve ti Sofie hiet

[1160] Ti was als men beschreven siet

s' Pal greven Dogtere van Rine.

Daer nae gevil ti pine  

Tussen ti Biscop al t' Utrigt

En ti Greva, datte men stigt

[1165] Roef en struet beydene anne

Herebregt dreygden metten banne

Ende dwank en met oetmoet

Date wulle en barevoet

Di vane ane bidden kwame.

[1170] Int geborenes Gods by name

XIc. LV. jaer [1155] 

Wast ien felle krieg voorwaer

Daer ti Friesen den Kennemaren

Mit roef en bornen zeer beswaren.

[1175] En ti vane Okstorp en

Harelehem kwam bi hem

T eynden wych dus vielen ti Vriesen

Ente moesten ter loep verliesen

Negen hondert en twinti man bat

[1180] Di dare bleven op si stat.

Dese Greva ies in vrede

Gerustet, en ligget ter stede

T Hegmund begreven als i voorwaer

Hadde berigt XLV jaer

[1185] Toe men schreef int geborenes

Onses Heeren XIc. LVI. [1156]

Hier laten wy tesen tiden bliven

Vane de Grevan bat to scriven

Ente willen van Grave FLORENS

[1190] Hire naere ien groet gepens

Onderwinden te verhaelen

Dit habe ik willen vertalen

Omme t' oeffenen dennen sin

Der luden ti mi met min

[1195] Dikke t' oircont te weten baden.

Batet ni ten zal ien ni schaden,

Dat ze der jesten hervarene zyn

Bid om Gode voer KLAIS KOLYN.

 

Escriptum est per manum Nicolai Colini, in Hegmont

 

(Met potlood aangetekend 1198 versregels).

                                                                                                                       

 

 

 

 

 

 

Laatst bijgewerkt: 9 februari 2013.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.klaaskolijnnet.nl  2009