RIJMKRONIEK VAN KLAAS KOLYN

 

cold case onderzoek naar het auteurschap

 

 

Abt Nicolaas van Sassenheim (ca. 1200-1269, abt 1263-1269).

 

 

 

TEKSTVERGELIJKING

 

 

                                                                                                     

Vergelijking van de manuscripten

 

Hieronder worden twee publicaties (Van Loon en Dumbar) en twee manuscripten (Afschrift voor Matthaeus III (1709) en de niet gepubliceerde folio editie van Cornelis van Alkemade met elkaar vergeleken. De in rood weergegeven passages, die in de hier gepresenteerde teksten ontbreken, zijn afkomstig uit het afschrift van van der Schelling. Dit afschrift is nog in bewerking. Van der Schelling heeft er steeds op gewezen, dat andere afschriften hiaten bevatten. Dat geldt zeker voor de uitgaven van Dumbar en van Loon, maar ook het afschrift van Cornelis van Alkemade blijkt niet volledig. Zo heeft hij vergeten om een regel af te schrijven, die we wel bij Dunbar en van Loon tegenkomen (vs. 1171). Voor het afschrift, dat Cornelis van Alkemade in 1709 voor Antonius Matthaeus III heeft laten maken, heeft hij zijn eigen afschrift aan de afschrijver in handen gegeven. Die heeft er hier en daar een potje van gemaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                                                        

 

 

VAN LOON

 

Geschicht-Historiaal Rym, of Rymchronyk van den Heer Klaas Kolyn, Benedictiner Monik der Abydie te Egmont; beginnende met den Simberschen Vloed, en eyndigende met de dood van Graaf Dirk, Vader van Florents den III. Graaf van Holland, In 't jaar elfhonderdzesenvyftig voorgevallen: Zynde voords nog met de noodige zoo Taal- als Historikundige Aantekeningen opgehelderd, en met eenen Bladwyser der Oude Nederduytsche Woorden verrykt, door Mr. Gerard van Loon,In 's Gravenhage, By Pieter de Hondt, 1745.

 

's Lants geschichten wil ic oirconden,

Zoo ic heb geschriben vonden

In den kloestre te Hegmunde;

Zoo bist ons die Boeken gunden,

[5] Die daer syn van alde tiden:

Cortelic van vele Striden,

Godinghen der Graeve vele:

Hoe ir 't arre quame ten dele

Zonder aterlike streeken,

[10] Ofte metter pluum te spreken.

Wen Godt betere vele beleggen.

Enkel waeraft wil ic zeggen,

Ofte laeten, zoe ic vonde.

 

'T is geschiet, als ic oirconde,

[15] Over menich hondert jaren

Toe de Nedergouwen waren

Van de wateren overlopen,

En de mensken rote te hopen,

Gaulen en Spangen ave te lopen:

[20] Emmer der Kimper groet getale

(Zolkes weet men harde wale)

Waren to miten doet geslagen:

Zoe das ir Aare lege lagen

Wt der Hassen und gebuuren

[25] Serbsten ond ti Irmunduren

Al mit krafte overspanden

Ade Batten uten landen

Te verdrunc metten wapen

By rade der bande Papen;

[30] En de Godescalken waren

Met die alde[l] Batte scharen.

Die ne raden deze wiken,

Die wy besitten,te bestriken

Zonder slach: wan zy ne wisten,

[35] Daer ne woonden ni, dar ti visten

Al dat lant was laech gelaghen,

Dus besonden zy di 't zaghen:

Het bevil tot haren hepen.

Dus toghen zy af met scepen

[40] Mannen have, vee tien tiden

En begrepen zonder striden

Mette kinderen ende vrouwen,

Tussen Rien en Wahl, tie gouwen

Wied en bried; als ic verhaele.

[45] Vele Greven, zonder falen,

Haben 't Lant bericht te minnen.

Scriben nochte ic ne kinne

Waren zi gestorven waren,

Ofte aen slants bericht gevaren:

[50] Wan tie Runers je ontbraken,

Tie woizen skriban irrer zaken.

Onder allen die gewezen

Haben Greven vin[d] ic desen

Waromir, wis Tochter Rhiemen

[55] Aafte Sitsenhag van 't hieme

Der Serbusten zonder mere.

Wonder is by dese kere,

Das geen Runers ons oirconden

Van den steden di zi vonden;

[60] Of zi mosten ni gewezen

Haben desen keer mit ezen.

Terpen vind ic harde wale,

Ti ic op ir stad verhale.

Katenwald die metten eyser

[65] Van Romen Gillis eerste Keyser

Maeckte daingh over landen

Ende gaven er toe tie handen

Zoo als 't lanch gebleven waren,

Zonder scot of lot te garen:

[70] Das geen ander land mocht beuren;

Want zi Broeders hieten heuren.

Gillis Ziwers Bouwens zone,

En was Broeder van ti gone,

Die genert, als adel Grave,

[75] Worp den Roemse arend ave,

En den roden Libert plante.

[-]

Tus es keret hair ti gouwe.

Wes gesworen had i trouwe

Over [alde] albe in ze geslachte.

[80] Und verdraf mit groter krachte,

Onder helpe Trier en Gallen,

Tie voir zynen Libert vallen.

Tot i zelve wort geslagen

Tot Furstenbarch. En over Nymagen

[85] Lit en Batenborge bornen

En ten Battenwaerde tornen

Over stroem: zo dat te male

Op tie brugge van die nau Wale

Wurt gedainget van den peyse.

[90] Waer hy sturf en op wat wyze

Adel Greve Glaude Schevelen;

Vint ic ne in geene delen.

In zyn tyden hier te voren

Was een adel bel te boren

[95] Her, wes name vint ic zo,

Dat hi hete Brinio;

Die met zine krieggebarden

Inden Kattewycker warde

Twe Romeynen blockhusen slechte,

[100] En twie wyghen wan mit vechten:

Ti man waant dat haben mit ezen

Brit- en Romenburghe gewezen.

Daer ti Barden Garven waren.

Hoe den landen is gevaren

[105] Na den val des Roemschen rike,

En van 't geen men zekerlike

Weet, des heb ic mi veraren.

Ander beuselycke maren

Ti di onbedreve luden

[110] Zonder afterdocht verluden

Is mi ni om waert te skriven:

Des zo laet ik zelve bliven.

't Es geschiet, als ic bevonde,

(Mer den tyt ne vinde konde)

[115] Das de Enchlen und de Saxen

Mit gewaren endt bardaxen,

Mitte baren ende vlooten

Haben utten Landen stooten

d' Imsater van de Britten

[120] Welcker Heirtoch was gehitten

Haren Engist ende Horse,

Die gelyck een euvel orse

Al die Brittense serjanten

[-]

Taunede tot irren onvromen

[125] De zunt den Rine inkomen

Unde slopen huus en have

Wider vind ic ni daer ave.

Dan das zi vortegen waren,

Haben in Gallien af[g]evaren

[130] 't Lant, das si na irren namen

Hiten Bretangen al te samen.

En ti Saxen overquamen

In Brittangen aangespannen,

Und vertriben van de Normannen

[135] Gaan de lande die gelagen

Tussen maar zee ende Nymagen

Rien en Mase en torp Assen:

Al die gouen heten Nersassen.

Tot zi van ti wilde Vrisen

[140] Harde geklopt na wych verlisen,

Wiltenborch haben begeven,

Ende zunt over ade getreven.

Zo das 't lant hi[er] al te zamen

Namaels hite Frieslant by name.

Hoe den aar der Baterawieren

[146] Es so baretyc vertieren,

Es nu niet bekant by namen.

Wan ti Swindel onbequame,

Ti de landen overlopen

[150] Mitte krieg en woeste hopen,

Schinden, bannen en dan roven

Alle konsten gaen verdoven.

Velen haben twifelt zere

Of ti Tietsken emmermere

[155] Ti Bardsangen te skriben ploenen.

Wes das zolcks bestonden doenen

Hat je ic voor overwaren

<Als die zolkes hab ervaren>

En ti Barden woizen lezen,

Ti nog overich haben wezen

[160] Minen daghen binnen Hegmonde.

Zolckes hab ic zo bevonden.

Alte bouken ons verkonden

Das ti Salers sint vertriben,

Ende baden om te bliven

[165] Wonen onder Battenenwierden:

Mer ein ander tiel begierden.

Der Quaden, zund van Saxen teyle,

Wider ti Salers overpeyle.

En ti Salers hadden gieren

[170] Overmaet te Batenewieren,

En ti Landen ingeholden,

Folckes oic vermanken solden:

Dan zy wierden afgewezen

'T es geschiet niet lanch na desen

[175] Dat ti Sicambrinen Salen,

En ti Usipers by malen

Battenewiren en ti Friesen

Namen over Ryn te riesen;

Als ti deeden met veel ander

[180] De eine volgede malcander

Tegen Romen wilden zi striden

Des zi deden in ti tiden:

Ende Francken zien by namen

Landen en Luden al te samen.

 

't Es geschiet gelyc wy leeren,

[186] In 't geboertenes ons Heeren,

Daer omtrent of zo waerachtigh,

CCCLXXXVIII. [388]

Tot di Gaulen overgingen

[190] En de Francken naem ontfingen.

Dikke heeftet my verwondert,

Dat die Vorsten hoog hermondert

Van Frenkeriken hier te landen

Hadden hoeg bestier in handen.

[195] En ik merket over dezen,

Of zi niet wel haben wezen

Van den Batenewieren bloede.

Starke my in dit vermoede

't Wapenschilt en rood Libere,

[200] Das zi voerden in di were.

Ende namaels overgeven

Haben weder onzen Greven

Mitte Gravelyke banden,

En bruin schilde van Vrieslande;

[205] Dar die groote striet om ware

Eer zi hulden wolden haren

Waernemont wort oic gelezen

Irrer Fursten ierst gewezen.

Mer ti adel Waernemunde

[210] Waren hulden unse grunden.

Ende Clotewich men achte

Zie van Greve Gerolfs geslachte:

Walkes sunt daer na in handen

Krieg das Greefschip Tiesterbande;

[215] En zin ander oir bevonden

Wurt ein Greve op onzen gronden. >[253]

Dagobert bestreet ti Friezen,

Ende dede ir verliesen

Den Slach mitten Bartuwalden: [572]

[220] Ende wat Friesen i behalde

Langer als syn glavy liten

Datelic dat hoeft afsmiten.

Wiltenborch dede hi storen

En, om 't heyden diet bekoren,

[225] Dede ir een kerke richten,

Van S. Thomas op ti Trichten.

Adgilt berichte ti Friesen,

Ende na hem ti verrisen

Radebolt; ti onsen Heren

[230] St. Wolfram wilde bekeren.

Ende lietet zo belopen,

Of em wilde laten dopen:

Mer wen i sien voete plonte

En ti ander in te fonte

[235] Zetten wolde; sprak i myn

Zeg m' al weer min alteren zyn,

In ti Himmelum, of weder

In ti hol gevaren neder ?

Wolfram antwoerde hem, das

[240] Al wie ongekerstent was

Storven, wisselic verloren.

Wal sprac i ic laets u horen,

Das ic by das meerder erven

Van mien alteren na mien sterven,

[245] Dan wil wisen vry van schanden,

In Wodins overzelige landen;

Dan mit luttel armen Christen,

Ti my intich nimmer wisten.

Uten fonten is hy getoghen

[250] En tum derden daghe gedroghen

Gravewaerts om zien gesellen

Zien en spreken in den Hellen. >[268]

In 't jaer ons Heren geprezen

VIIIc en X by desen, [810]

[255] Als Koninck was zekerlicke

Karel de Groote van Frankricke,

Quamen ti Noren by geleyde

Van iren man Gottric beyde

Mit scuten CC in onse vele,

[260] Roefden Frieslant an drie delen,

Ende sloegen ti Friesen biden

Harde in drie staende striden.

Kaerle hoerde solche maren,

Ende bereyde ir te varen

[265] To Wederstant; wanneer i hoerden,

Datten zine luden vermoerden,

Ruste Emmingen te bestriden. >[295]

Korts dar na sien wedercomen

Over zee die fel, onvrome

[270] En wrede Noren ende roven

Al dat lant an zee, gesonden

In tie haven van Hegmonde

(die de Hegge plach te heten),

Eer des bedehuys te weten

[275] Daer in lange was gestichte;

Dat nu after dunen zwichte)

End sunt to Nurtika komen:

Daer ir tegentrak die vrome

Greve Gerolf en Tibbold agen

[280] Rinesburge, daer zi lagen.

Ente wan dat Noertse here

Was te kraftich in te were,

En te euvel wurt [g]edragen,

Bleven zi te beyde slagen:

[285] Das harde droeve was ti goen.

Ende ti Heylige Jeroen

Grepen zi en deden wylen

Grote pinen, staken met pylen

In 't lyve, en bornden over zere,

[290] Ente spotten onsen Here

Alle zere, em onthoven.

Zeland zi oec beroven

Daer Greve Eggaert, Halpdams zone

Bleven in ti weer ti gone >[308]

Meremals tot andere tyden

[296] Deden di Noren groete schaden.

Onder Noric [= Roric] zi bestraden

Uterichte, ende namen

Beten, en wyke te Duirstede zamen.

Lodewyc die goede Here

[301] Als hi berichte; quamen were

Di Normannen opgevaren

De Wahl mit scharen

Ende Nymagen zy bevoten.

Barberose liet ti sloten

[306] Weder maken als wi horen,

Di ti Noren deden storen >[217]

Ti reden datten wederstoet.

Greve Gerolf wan zin goed

[310] Dat ti Noren onderwonden

Te beroven, wan se versonden

In gesantschepe na den schine

An den Keyzer Kaerle in pyne.

Die hem sant hiet Gotefried

[315] Ende anderwiel vertriet

't Noerse volck mit zine hoede.

Hoe hy daer ave was te moede,

Mach een yder proeven wale:

Wat hilp ni of veele tale.

[320] I ging zo den Noren aven;

Ti em hadden gelooft veel gave;

Kande de vrede betraken .

Das zy kortelinge braken,

En namen daer toe das sine.

I hadde vercregen mit groete pine,

[326] Trouwe daden, Ridder banden

Van Koning Arenout van Frankenlande,

Met zegelyn en brieven,

Zommige Landen aan hun liven,

[330] Die altezamen waren zine.

Zuderscagen tussen Rine

Tussen ti Noert A, en Oester Sassen

Geisteland en holtgewassen

Ein hoeve in Bodelo den Grave

[335] En in Alpenbruk twie haven.

In Olthornunc eine hoeve,

En in Huwy ein manse t' oeve,

Te Tol en Asseke ein manse als voren

Met al watter toe mach horen.

[340] Te Frankenwairde was 't gegeven,

En met teyken onderschreven,

Na ons Heren geboerte wegen

In 't jaer VIIIc. LXXX ende IX. [889]

Die wanneer i opter straten

[345] Hadde in Porenborg zien lief gelaten,

Was den Lande zonder Greve.

En ti ander Noren bleven

Te Vleretdingen, en de vesten

Tegen ti Franken al haer besten.

[350] Kinder had i twee by namen

Tideric en Walger zamen

Beyde jonge zonder tiden,

Ende onbequame te striden.

Ti irren Mouderes zusteren Anke

[355] Namese to si onder ti Franken;

Ende leerdese Kerstynheden,

Ende Ridderlyke zeden.

Deze Walger t' eender wrake

Dede voer zin Vader smaken

[360] Erhaude ten Noerman ti doet;

Die er uitten zaden skoet,

Op ti jachte onder 't jagen

Ende wurt oic zelve slagen.

Zo dat Tideric alleine bleef,

[365] Ti ir nare warde Greef.

Walger is alzo gestorven,

Ende Teysterbande bedorven:

Dat i hadde als Greve vercregen.

Daer na is 't aldus beslegen.

[370] Kaerle ti simpele zekerlike

Di das zwaert droug van Frenkryke,

Om datte veele kwamen ti Noren

In Frieslant zine landen storen,

En i bescharmen niet ne mochte,

[375] Hy dus aller ierst berochte

Tiderike te geven in handen

Ti Bardaxe van den landen;

Datti bescharmen zolde voirwair

Zyne luden al te gaer

[380] In dat Kerstelike gelove.

Als hun Gode van boven

Gepreket van Sint Williboert;

Ti Pippyn, alse hi hoert,

Zant in borenes ons Heren

[385] Ses hondert en negentich viere, [694]

Ti Friesen goede te doen kont.

Totte Weskaple hy vont

Ein Godse Wodin aenbeden

Mercuriose na heydense zeden:

[390] Den i brac unde [t]erstont

Wort i zwarelike gewont

Van ti Mercuriose wachte .

Efter preekte i mit krachte

Oestwaert onsen Here te recht,

[395] Ente quam al to Utrecht

Storen ti Godsen onverholen

Alsse Paus Serges hadde bevolen;

Ti em Aersbiskop hadde [g]ewiet.

't Utrechten i liet

[400] Zynen stoel, ende bekere

Vele luden t' onsen Here.

Angels uten Nedersassen was

Van Northumberlande das

Ons tie schreften laten horen,

[405] Sinte Willeboerd geboren.

Ente preekten zy te maal

Gode in ti Friese taal.

 

1. Tiderik de I. Graaf.

 

Nu keren wi weder gelick

Totten Greve Tiderick.

[410] Das Greefschap Hollant gelagen

(Unde bericht unse dagen,

Billicke unde na wens

Adel heare Greve Florens)

Is ein stik van Friesland voren

[415] Gewesen; alse wy horen

Woe die FriesenAnclen en Saxen, mitten Allemangen,

Verhiven over Bretangen;

Dus ti in dem landen bleven

[420] Was den name Friesen geven:

Dus die Altsten in recht

Unde fane Francken geslecht

Mitter grooter mogenthede.

Uriese was bekant van zede

[425] Greve Gerolf wt wi gelick

Namaels heeft Tiderick

Das swaert geheven, Als rechter oire;

Di wrede Noren te stoiren

Als hi dede; ende kreeg

[430] Brieven, ti ic ni en zweeg,

Van Karel ti Simpel mede.

In der Drievoudigheden

Name, Kaerle koninck geliek

Van Ost- en Westfrenkriek.

[435] Als billick is, en wi verstonden

Onze liven op onse gronden,

Tegen alle wtheims gewalt,

Te beschouwen; dus zi gestalt

Al by onser mogenthede

[440] Mit volle macht ane te leden

Ende ave na behoren,

Zo das was hie te voren,

In zine Greefscepe bekent

Ende over dair omtrent;

[445] Onsen getrouwen Tiderike,

Dat i daer af geve blike,

Ende elk hem volge heden

Met desen brive na kersten zeden;

Dus gaven wy hem das gebiet,

[450] Na goed en rype beliet,

Overlanden en luden,

Als hier nevens wy beduden,

Ti hem eygen ne waren niet al,

Voertan zint bi dat getal.

[455] Kerstelike mi bi reste,

Over ti nakommers te leste

Hem en de zine an 't oud gebied

Van al, wat hem eygen hiet

Dat hem Gode starcke daer boven,

[460] Over het kersten gelove

Voer te staen al mit macht

Jegens dat heydens diets kracht,

En gewalt en avetreken

Van kerstens die trouwe breken.

[465] Dus geven wy hem daer vrank

Das swaert over bread en lanck

Te gebieden allen kanten:

Wtgenomen eenige landen,

Ti onse stamme eygen sunt,

[470] Daer em die breuke of wart gegunt

En di tienden te heffen mede.

Dese blyven ons ter stede

Met haren rechten bewaert, als voor,

Datter niet ave ga te loor

[475] 't Land dat hy zal berichten,

Oestwairts bepaelt na ti Trichten

Tot Suuthardeshage

By Bodeloden grave gelage:

Daer sin Vaderes Greefschepe gelach;

[480] Als 't was op desen dach.

Tot 't Westen by Katiks ende;

Zuutwairts Fortrape belende;

Ende Noirtwerts zy 't [l]and,

Daer men ti beke Kinheim vant.

[485] Aldus gedaen ziende op heden,

Willen wy dat em zi vrede

Van iegelicke in zin bezit.

Ende die em tegenstit,

Dat men hem ave doet rumen

[490] Ofte straffen na der coustume,

Daer die mesdaet gelegen es.

In 't jaer der geborenes

Ons Heren hoig verwondert

Uut einen Maghet negenhondert

[495] Ende XXII. bat [922]

Gegeven tot Aken in di stat

Oppe Paesavont, ten leste

Met onsen vingerlink beveste:

Dese konink Kaerle goet

[500] Gaf namaels metter spoet

Tot Bladelle, in den Jare

Negenhondert over ware

Ende drieentwintich bat, [923]

De reste van dat hi besat

[505] Al in Tideriks mogenthede.

Tot een eygen erfachtighede,

Hier voren geroert, in vrede

Over bede van Greve Hagen;

De kerke to Egmont gelagen,

[510] Al met dat geestelic gebiet,

Dat jegens Fortrapa stiet,

En Kinheym als men ziet.

Bedy heeft hi oec vercregen

Ein gifte t eender wegen

[515] Jegens zin Wive Hildegaert

(Tie em Aernout heeft gebaert

Te Gante in hare mogenthede)

Dat zi voegen zoude mede

Wasda dat foreest

[520] In haer mogenthede t meest

Aen zin Graeffscepe als voren

Met al wat er toe mach horen.

Dit gaf em Lowys met min

Doer zin wyf Emme, tie Koningin.

In zin tiden wiert gevonnen

[526] Dat lyk Aelbrechts van eine Nonne,

Dat men verdroug tot Egmont.

Ik moet u zeggen goed ront

Datte de Jesten ons ontbreken,

[530] Om dudelicke te spreken

Van vele dingen, als ic wil.

Dus zo bid ic alle stil

Dat men mi quite of iks [ic] fale,

Ofte ergens inne dwale

[535] Want ic clechtelike zeggen zal

t Ware, dat ic vinde, al.

In deze Tidericks tiden

Waren vele wichen en striden

Metten Friesen ti ne dulden

[540] Woude nochte billic hulde.

Toch zi worden wale gedwongen

Dat ze jem over Heare hulden.

Sinte Jeroens gedenkenis

Oic van dese Tiederic is

[545] Van Nortika to Egmont gedragen.

Dar i noch licht zinder lagen.

Ende het holten Kloister daer

Dat ontdede hy voirwaer,

Ende richte het weder van stene:

[550] Die Nonnen oic (zoude ik menen)

Heefte hy mede onverlet

Over to Binnebruk geset;

Ende zetter in wat vorder

Tie van Benedictus order;

[555] Ende gaf den Monniken goet

Jeften vele in overvloet.

Zin wyf Hildegaert mede

Gaf in vele dingen met rede

Tafel schoene zonder joek

[560] En siere Evangelenboek

Vol adel stienen en goude:

Das zi noch in eeren houden.

Egbert iren zoene fier

Tie Aartsbiscoppe van Trier

[565] In Bretangen van ir geboren,

Gaf den Godshuse, te voren

Gemeldet, mede goeden veel.

Als oic zin zustere el

Arlinde scank ein misgewade

[570] Kostelike en van stade.

Ende was, as ic hou gewis,

To Bennebrucke ti ierste Abdis

Tideric verwarf oic mede,

Overmits Thefanen bede,

[575] Van koningh Otto, en zin Zoen

Egbert ti Biscop schoen,

Ente Otten Neve Henric van Baren

Hertoge hoge overware,

In vrien eygendoeme, wat

[580] I van hem te lien bezat.

Tusken ti wateren Langeroire

Ente Isle overbore

Dat houtgewas, en lande trou

Mit ti goede Sonnemargou

[585] En watter tusken ti ade lage

Van Medenblec en Marcken tagen

Geneloos aer, en al das

Jem tot Texla eygen was

(Wtgezeit dat huuslade ter dege)

[590] En dat in Kinheym is gelegen

Ende in Maeslant gaf i em

Met al, wat er hoirt aen hem.

Dese Tideric voirscreve

Is gevaren ten langen leven

[595] Tot Hegmondt, daer i ter uutvaert,

Twee jaren na Hildegaert,

Isse gelegt en begraven.

God heeft bider de Zielen ave

Want i starf t jaer waerachtich

[600] IXc en LXXXIX. [989]

Zo dat i berichte voirwaer

Omtrent LXVII jaer. [67]

 

2. Aernout (de II. Graaf.)

 

Arenout, ti twede Greve

Zynen Zoene, is gebleven

[605] Aen 't bestier; ti men voirwair

Noemet Arent ti Gentenair.

Want i van zin Moederes weghen

Ti Burchscepe hade vercregen

Voir Egebrecht zin Alvebroer*:

[610] Ti na Trier as Biscop voer.

I aefte bi zin Vaderes leven,

Ende jem wurt ten Wive geven

Ti Dochtere van ti Keysere faen

Grieken, de kleyne Romaen

[615] Genant, Luitgaert zeer schoene

Ende voegdelic van persoene.

War an i wan mitter baert

Tideric ende Sivaert

Sicke genant; ti ir nare

[620] Ien doet sloeg doer vare

Toeg i na Kastrichem, daar i

Eenen Goswin, wt Frieslant, bli

Wirde geholden en ontfaen.

Waer ute is ontstaen,

[625] Doer praten en wyde Trin

Ofte andere toveryen,

Datti Tietburge nam te wive;

Zin Broeder wilde ontlyven.

Op t leste wurde et gedaingt

[630] Ente i van Kanemerlaingt

En Frieslant geholt overware

Jegens zin Broeder openbare.

Tese Sivaert kreeg ien Soen

Tideric genant schoen

[635] Wt Tietburge; tie na desen

Van Braderhode ieft gewesen

Die ierste Baroen van Zevenburch,

En Godefried van Lutzelburch.

Toe[n] nu Aernout, als Greve,

[640] 't Swaert hadde opgeheven

In zin Vaders plaets overwaer,

Ente i fan te Friesen skaer

To Sudermuda wolde gangen,

Na kostume, 't Schilt ontfangen;

[645] Spraken zi overluut:

Zi ne wilden van em gebruut

Niet sien nochte em hulden,

Nochte zine dwanch gedulden.

[h]Iertoe gaf im himlic recht,

[650] Zoo 't scheen, ti Biscop t' Uutrecht.

Echter troc i de hant daer ave.

Mar ti Friesen ze ne gaven

Daeromme te meerder niet.

Des hem Arenout onthiet,

[655] Ende trakse te Winckelma tegen.

Daer wurde fel eslegen,

En ti Friesen hielden 't padt.

Hier bleef verslagen, dat

Zy 't gewis, ti jonge Here

[660] Met den zinen in ti were.

Als i vyf jaer had bericht.

Zine kinders waren licht

De oudste twaelf jaren wesen.

Dus was 't lant alom in vresen.

[665] Zin Wive starf kort na jem

Van droefheyt des gehoerden wi hem;

En is tot Hegmond begraven.

Verders vinde ic nie dar ave.

 

3. Dirk de II. Graaf

 

Tideric volgde jem toe dan

[670] In 't bericht, ien stout man

Alsse gy zult kurts hoeren.

Tie darde Greva geboeren,

Aerenouts outste Zoene, tie

Te riese Friesen al zo mie,

[675] Wilten ontfaen, wie zin Fader.

Dus liet i ze te gader

In peis, dat ze zick beraen

Weder jem hulden wouden of slaen.

Ti Friesen na ripen rade,

[680] Ende ut vresen voir skade,

En wrake voir des Grevan doit,

Haben Tidericke geboit

Se walden jem hulden op conditi,

Datse die ierste Prise

[685] En pine scelden zolden quiet

Nenre gedencken to gender tiet

Jegens 't leit jem wedervaren;

Jofte zin Vader over den haren

Dat ze de tianden gaven vri

[690] An den Greva, en dat i

Ze zelve zoude laten garen,

Ofte vermangelen zonder zwaren,

Na zin wille ende geer;

Ente watter toe hoirt meer.

[695] Ente op hoer costen varen

Jegens zines vyants skaren :

Dat em wale quam dar nae

Sus gaf i ze zine genae,

En 't worde gedaingt. Hier nare

[700] Isset em wedervaren

Dat ti Biscop van Tricht, Luyke

Ente van Trier, gebruike

Van de Jacht en Visseryen,

Namen in als eyge mitsdyen

[705] Het holt Mereweda te male

Dair die Maze en ti Wahle

Iem vermangen tier stont.

Dit was Tidericr gront:

Des i zik opmaeckte en werpen

[710] Daerop ien veste en terpe.

En nanden 't Doertricht.

Dat men voet hive, op licht

En zwaar mangelinch en vrachte;

Ti bi dage of bi nachte

[715] Die ade op e[n] nedervaer.

Dit namt ti Biskop zwaer

Van Trichte, en klaechden 't ti Keyzer

Henrike, ofte ien weyzer

Zinde onrecht adde gedaan

Ti Keyzer, op zulc vermaen,

[721] Jeft em getroest, en gebaden

An Hertoge Godenfrade

Van Ardenne heirvaert

Te beschriven in 't Batauwerwaert,

[725] Ende van Nimagen te faren

Tot Alleblas mit zin sckaren,

En ti Greva oppe te slaen.

Tiderik jeftet verstaen,

En trock mette Friesen oppe

[730] En te besatten en stoppen

Te Gizenbrogge. Des man

Kwame op 't water an

Mit scuten bi nacht zonder skieten

Jofte roepen. Das mach mi spiten

[735] (Sprac ti Greva) das zi 't ontgaen

Zin sus, sinne slaen.

Maer sprak tot ti Friesen weder;

Mannen in trouwe gift u neder

In die lage op 't lest

[740] Ier zi vaste zin gevest,

En greep ane met fellen moede

Voerzeker ic sta u goede

Alse gi treft voren aen,

In ti zide wol ic ze slaen.

[745] Wes zonder anxte of vare,

Hoewel zi vele scaren

Zint, enne onser kurte getal

(Anne Godes hant hangt al)

Dus haben de Friesen begonnen

[750] Ende warpen die tonnen

Ave in ti morgenraet.

Ti wieg word harde en quaet

In 't moer, en ti Grave

Trak toe, dus gave

[755] Di viant zig in 't riet.

Ein stem riep: Vliet, vliet.

Men ne weet van waer 't luit is komen.

Daer liep ti Hertoch ter stromen-

Waerts, en elk volge em naer.

[760] Dat krigen wort fel en zwaer

Tussen ti baren en scuten.

Op 't lant en daer buten

Vil menigen man. Ti Biscop

Kwam cume mit kleine trop

[765] In ein scep, en is 't ontlopen,

Tegen zin wane en hope,

En is bi de zine gestelt.

Dus hild Greva Tieric dat velt

Met grote bote en blef houwen

[770] Mereweda, Alleblas, en ti gouwen,

En stromen in zin gewout.

Ti Hertoge wort quite scout

Al uutre gevangenesse,

Alse het wurt in daingenesse

[775] Gebragt. Ende Tiderick

Aefte ien wyf schoen en Rick,

Ti Othild hite by name;

Daer [Taer] i namaels ave bequame

Tideric ende Florens.

Sunder krege hi dat gepens,

[781] Dat i wolde varen mit eeren

Tot des Helieg Graf ons Heren:

Ti ierste Greva, di dat bestoet.

Ente alse hi weder goet

[785] Was gekomen bi den zinen,

Bedachte hi, tesen pine ,

Te geven ane Sint Aelbrecht

Tot Hegmonde te recht

Vele dingen ter stede;

[790] Alse zin Broder Sikke mede

Dade: en starf en legget terstond

Mit zinen Wive al tot Hegmont.

Na jem hielt Tideric weder

Kenhem ave en vil neder

[795] In krancheden alse hi

In ruste, dat lant bli

Langen tide hadde berechte

Over Hearen en over knechten.

Ik heb verstaen al voirwaer

[800] Dat hi stierde XLVI. jaer [46]

En laget mede t Egmunt

Zinder lage. Ik zeg, zunt

 

4. Dirk de III. Graaf.

 

Is in t bericht gevaaren

Zin kint Tiederic overware;

[805] Ti ni lange Greva bleef:

Want ha, alse men screef

MXLVIII. Ons Heren [1048]

Jare, zo rees die vete were,

Tussen di Keisere en zin trien,

[810] Jegen ti Jachte en Visserin;

Ti stonden bi zin Vaderes tiden.

Ti Keizer kwam af to striden

Omtrent Paesen al in dat Tricht,

Ente bi jem quam, niet licht,

[815] Ti Marcgreva fan Braban,

Al mit menic stoute man.

Zi kwamen ave te scepe

Na Fleretelingen slepen;

Daer ti Greva Tieric was.

[820] Ic moet u zagen, das

Ti Biscop Wase had groeten vaer,

Als iet wale bliek daer naer,

Zin volck te ledene ter heervaert.

Hi bleef after in ti staert

[825] Ende wurde alzins te moe,

Dat hi blotelicke zag toe,

Hoe ti wiech zolde vergaen.

Ti Keisere ging beslaen

Zin here alom den Doertricht;

[830] En wan ti veste nie licht,

En trac ave te Fleretelingen.

Greva Tidric quame bespringen

Met lichte scuta groet getal;

Ti grove scepen ni smal

[835] Volgde nare. Mette Ebbe

Twi stiter jegen die grebbe,

Ende zat vaste in t murch.

Ti dage wurt Kenenburch

En Fleretelingen alle verast.

[840] Mare alsse het watere vast

Woes, en ti jonge Grave

Ane quam, en daer ave

Ten diek scilicke doerbrack,

Dien ter halverwegen stak;

[845] Zat Keizer Henricr here

Alom blanc in dat mere.

Ti Keizer zelve liep gevaer;

Sus kunde i ja daer en naer

Verdere nederwaerts ni geraken

[850] En moeste de tocht staken,

Onvericht en kerene weer.

Greva Tierick zinde das heer

Breken, en ti gewaren swanken,

Al in roere, en datte planken

[855] Ontbraken, vil met menic boet

Op tie scepen en namze. Daer stoet

Ti mogende Keisere begrepen

Van wenige Fr[i]esen, zonder scepen

In t slyke, en trac ave.

Daer vil ti jonge Grave

[861] Metten zinen in ti staert.

t Here worde te barentaert

En ontdane. Wo vil daer bliven,

Zolen wi ja ni licht scriven

[865] Ti Keyzere selves kwam

Kume daer ave t Utrecht gram

Op Biscop Wasse tier stonden ;

Ente dwong CCC ponden

Zilvers ave ware het recht.

[870] Grave Tirick trak recht

Op den Doertrecht ane, en wanze.

Daer begaff em de kanse.

Dat ti Hertoge van Braban

Van ten zinen himble zan

[875] Te Doertrecht ave den boom datze

Ti Adel Greva Tierick verraste

Als mit ien feninige strael.

t Is gesciet (als ic verhael)

Dat i starf vane dat hinder,

[880] Sonder Wyve, zonder kinder

Alsus opten Doertricht.

Negen jaren ieft i bericht.

Zin Broeder Florens volgde mede

(Alse recht was) in ti stede.

 

5. Floris de I.

 

Dese Florens, ti viefde Graef

[886] Na s Broeders doet zegge ic aef,

Dat hi huwede ien Wive,

Adelicke en schoen van live,

Hereman van Saxen Hertoge

[890] kint; daer i ave kreeg

Ien Soen en Dochtere van deeg;

Ti ave ti kroen van Franken.

[-]

Hi gaf mede veel in danken,

Den Godshuse t Egmunt

[895] Over ziender Wyven gunt;

Ti Geretrude hite bi name.

t Is jem overkamen,

Dat ti Hertoge van Braban,

Ti Biscop van Keulene, an

[900] Ti Heare van Cuuk mede

Utes Keizers name strede

Op Greve Florens; om dat

I in zin gewout besat

Ente, als zin Vorders, hieve

[905] Het tricht op ti Merwa griven

In doer groete lasten zwaer.

Dus togen zi op aldaer;

Mare worden tegen wille

Ontdaen. Daer sat stille

[910] Ti Biscop al van Uutricht

Ente ne darve zik in den twicht

Steken, wt anxte en vare

Florens ce mare

Ginc over dat lant.

[915] Zo dat zine felle viant

In gien poert peinsde zeker wesen.

't Es geschiet (alsse wi lesen)

Op ienen dach dat i sloech

By Hamert vreeselick g'noech

[920] Tusken ti Maze ende Wahle,

Ente ging mat onder ien boem

Liggen tot ruste toten droem.

Aldaer quamen ane gereeden

Ti Heren van Cuuk in zine geleden;

[925] Ti em verraste en sloeg em doet

Dat was ja jammere groet

Voer hem, en ti metten bleven.

Dus voeren zi ten langen leeven

Ende begraven tot Hegmunt.

[930] Alle 't Land stont over unt.

Dit heft zich alzo vervaren,

Als men schreef Godts geboerte jaren

MLX. Ende ien: [1061]

Alze hi der jaren dertien

[935] Hollant hadde bericht als Greve.

Zin Wyve Geertruut is bleven

An 't bestier, jegens hair kroist.

Ende want zi behoifde troist

Ende helpe, dieze Stunde,

[940] Is 't beslagen datze huwde

Die oudste Zoene van Boudyn

Vanne Vlaender; dat i zou zyn

Voegt jegens ten jongen Grave.

Daer oic dese Robbregt ave

[945] Den name Robbert de Vries behalt.

Want, voir Godevairt metten balt,

Hiet men van Frieslant Grave.

Ende dit kwam hem du daer ave.

Hy hadde, als voight, het land bestelt

[950] Agte jaren, tog met gewelt.

Die gebochalde Govaert henen

Op Hollant (zoude ic menen)

Toeg met groeten heer;

Biscop Willem in ti weer

[955] Van Uutrichte halpe mede.

Robbregt most ruumen ti stede,

Ente trak na Vlaenderlant;

Dat hy krege, als Grave, in hant.

De Builtrugde Govaert

[960] Prante rechte voir zin Paert

Op Hollant; Om dat vore langhen

Zine Voorder ti gevangen

Hertoge, Godefroi van Arden,

Wien Tierick ti darde pren

[965] In den slach van Henrike

De Keizere tot zikke

Volgens onzagte breven gewan;

Sommige dingen als 's Vorsten man,

Den i met Biscop Willem hive

[970] Van te Keizere al zin live.

Zy verworven beyde te hant,

Jegons Geertrude al Hollant;

Onder hen beyden te schikken zamen.

Zi mochten 's hun billicr schamen

[975] Zolcken aterlycke bestaen.

Het isse Biscop Willem vergaen

Als men zegt: want hi onder

Godevaert halp byzonder

Hollant dat i vier jare bezat

[980] Met gewalt als menic pat

Op tie Oestvriezen had begangen,

Scade gedaen ende ontfangen

Dat i, als alle tirannen ploen,

Niet onderevoer zonder bloen.

Zittende op een himmelickhede

[986] Tot Dalft, wird hi benede

In zine fondamante getreft

Van Tiriks knape Gizelbrecht.

Ente liet en t' Uutrechte dragen;

[990] Dair i starf mit felle plagen.

Ente Willem kort na iem

Ondervoer dus hoerden wi hem.

Tot nog was Hollant zonder zyne

Heare dat en dede pine.

 

6. Dirk de IV.

 

Tiederik de sesde Grave,

[996]Ti wt zine Vaders have

Van Godefaert ti Billioen

Was gedreven, is di goen,

Ti mit zynes Stiefvaders machte

[1000] En ter magen hulpe, trachte

Na zyne erfachticheyt stout.

Biscop Willem hade gebout

En vaste Burge t' Ysselmonde;

Dare toe Coenraet tier stonde

[1005] Oppe was. Dit jeft verstaen

Greva Tierick, en ging beslaen

Alomme en trak zine scepen

Tegen op 't Mereweda, daer grepen

Zi mit force ien ander an.

[1010] Diederick was 't ti de wyge wan,

Ende stormede op 't Slot;

Ende scoter oppe tot

Iet in den brande rochte.

Daer hulp gien water. Watze brochten

[1015] Ti knechten; het most ane den gront.

Biscop Koenraed wurde gewont

En gevaen (zo men mi zeyde);

Tien Greva korts los leyde.

Dus gewan i met mogender hand

[1020] De zegen, en trak in 't lant.

Hy berichte dat lant in vrede

Vyftien jaren, ente nam mede

Ene vrouwe, ti hiete Othilt:

Ente wan, alse gi weten wilt,

[1025] Ein kint Florens an zinder stede.

Hi hevet begiftigt mede

Dat Godtshuis t' Egmont; aldaer

Starf in ons Heren jaer

MCX [= MXC] en iene mit vrede [1091]

[1030] Legget daer oic zinder stede.

 

7. Floris de II.

 

Na jem kwame an dat bestier

Ti zevende Greva (getelt hier)

Florens; ti te boven ginck

Zine Vorders in menien dinck.

[1035] Den aefte ane vrou Peternelle,

Tidrix Dochtere (als wi vertellen)

Van Saxen; wes Broder Lothair

Wurde Keizere te Romen voirwair.

Bi desen Wive jeft i vercregen

[1040] Twie Zonen by Godes wegen

Die men Tideric en Florens hiet.

't Is geboert, alse men siet,

Dat hi Greva ginck wt jagen

In dat holt van Kriele; daer zagen

[1045] Zine knapen ter zelver stee

Ti knapen van Galame:

En tie benamen er drie honden.

Alse dat Galama jeft bevonden,

Sprak met dollen en arren moede

< Dit geve mi God taer toe>

[1050] Moet ik ten grave en hi min schade

En hoen niet beteren wil ter stade.

Zoe ick ein frie Friese ben

Zal 't em vergelden so bat ic ken.

't Is geschiet nae korte tiden,

[1055] Dat ti Greva kwam riden

Ter jacht zoe hi te voren plach:

Galama was dar i 't zagh

En sprak en ane in arren moede

Onbeschoft; du sulst vergoeden,

[1060] Heare Greva, ente beteren min scha.

Ti Greve sprac (als ic versta)

Datty behoerde zin Lantsheere*

Te ontmoeten mit biter eere.*

Ende terwylen i noch sprack

[1065] Indiervoegene, zo trak

Ti riese Galama zin gewaren,

En ieft den Greva toegevaren

Ente kwest en in den arm.

Die knape schoet toe mit gekarm

[1070] Ente heft Galama doorgraven,

Dat i nedervil daer ave.

Ente ti bi em waeren zien

Cume ontlopen mit grote pien

Dit es geschiet (alse wy leeren)

[1075] In 't Incarnation ons Heren,

XIc en XII jaer. [1112]

I verbeterde voirwair

Dat Godshuse t' Hegmunde,

Ente gaf em (als wy vermunden )

[1080] Jeften vele tier stont

Ente storf (als wi doen cont)

In zinder joget, ons Heren

Jare XIc. En twintig mere [1122]

Jare en twie (als men mi zegt)

[1085] Dat i tot Agmunde legt.

Peternelle, zin Wive, es bleven

Houden, voir hair en dare neven

Ire kinderen, in hant

Dat berichte over Hollant.

[1090] Ende gaf mede metter iele

Den Godtshuse voer hare mans ziele.

Den zi te Rensburch hadde gericht

Twaalf jaren (alse men light [1133]

Bevant) nae ire mans sneven.

Haer Broder jeft zi geheven,

1096] Metter halpen, al tot di kroon.

Ente hadde te voren schoen

Den Keyzers dwank wederstanden

En in stade gestaen den landen.

Ente starf ave overwaer

[1101] XIc en XLIII Jaer; [1143]

Ende laghet te Rinsborch begraven.

Date zi vele gaven

In hoire tiden ane gaf.

[1105] Verder vinden wi ni daer af.

 

8. Dirk de V.

 

Tideric kwam an den berichte

Na zinen Vader, als ti geschichten

Ons zeggen vanne dese tied.

Daer rees grote stried

[1110] Tusken ti Friesen en den Grave:

Oppe dat yse daer begaven

Ti Friesen zich na Allekemaer;

Ente vloeden were van daer

Over des Graven gewalt en here.

[1115] Daer bornede men zere

T' alleken kanten, dat jammer was.

Graven Broeder (syt zekers das)

Ti ter eere was genegen,

Florens genant had ter degen

[1120] Gunste overalle genoech;

Dat hi fiere wt ongevoech,

Moeder en Broedere bracht in are

Moede. Des hi en spoede voirware

Al nae Frieslant by ongedult.

[1125] Daer wurt i over Heare gehult;

Ente barnede Allekemaere.

Ti verpinede Kenemare

Mosten jem hulden zi wilden of niet;

Ente bornede (als men ziet)

[1130] Alse te Haerleme komen waren,

's Heren husen dat em sware

Bekwam: want Tiderick

Viel oppe, ende nam rick

En arme in zinder gewoude.

Als ti Keizer Lothair beschoude,

[1136] Zant i tien met jonste en macht;

Den Gebroeders daer toe bracht,

Zo das zi den pais betraken.

Tese Florens, van wi maeken

[1140] Ons woirt (alse gy hoirt)

Is korte om ien Wyf vermoirt

Van ti Heare van Cuuk te Trichte

Ente Arensberghe; ti stichte

Zolk verraet daer i sturf af.

[1145] Te Rinesborge licht i in 't graf.

En ti moerders mosten lange

Zint ballinck, dat jen vil bange.

Dese Tidrick vinde ic af,

Dat i tot ons Heren graf,

[1150] Mit groeter gere, is gevaren;

Als men onses Heren jaren

XIc en XL. schreef: [1140]

Van den Paus verworven heeft

Vrybrieven, ter selver stonden,

[1155] Den Rinsborge en Hegmonde.

Hadde ien Wyve ti Sofie hiet;

Ti was (als men beschreven ziet)

's Palsgreven Dochter van Rine.

Daernar geval ti pine

[1160] Tussen ti Biscop al t' Uutricht

En di Greva; datte men Sticht

Roef en struet beydene. Anne

Herebrecht dreigden metten banne;

Ende dwanck en met oetmoet

[1165] Dat i wulle en barevoet

Di bane ave bidden quame.

In 't geboernes Godts, by name

XIc LV. Jaer, . [1155]

Was 't ien felle kriech voirwaer;

[1170] Daer ti Friesen den Kennemaren

Mit roef en bornen zeer bezwaren.

En ti vane Oxtorp en

Harelehem kwamen bi hen

t' Eynder wych, dus vielen ti Friesen,

[1175] Ente moesten, ter loep, verliesen

Negenhondert, en twint man bat;

Die dare bleven op di stat.

Dese Greva is in vrede

Gerastet en ligget ter stede,

[1180] t' Egmond begraven: als i voirwair;

Hadde bericht XLV. jaer:

Toe men schreef, in 't geborenes

Onses Heren, XIc. LVI. [1156]

 

Hier laten wy tesen tide bliven,

[1185] Vane de Grevan bat te scriven

Ente willen van Greve Florens

Hire naere ien groet gepens

Onderwinden te verhalen.

Dit habe ic willen vertalen,

[1190] Omme t' oeffenen dennen zin

Der luden; ti mi mit min

Dikke t' oircont te weten baden.

Batet ni, ten zal jen ni scaden,

[1194] Datze der jesten hervaren zyn.

Bid, om Gode, voer Klais Kolyn.

 

Escriptum est per manum Nicolai Colini

in Hegmont

 

************************************************************

DUMBAR

 

RYM-KRONYK van ouds genaamt HET GESCHICHTE HISTORIAEL-RYM, der eerste Graven van Holland; Van Broeder KLAAS KOLYN, Monnik van Egmond geschreeven omtrent het jaar MC.LXX.

Rym-Kronyk Van Broeder Klaas Kolyn, van Egmond.

 

 

 

 

 

 

[1] s Lants geschichten wil ix oirconden

Zoo ix heb geschriben vonden

In den Kloestre te Hegmunde

Zo bis t ons die boeken gunden

[5] Die daar zyen van alde tiden

Cortelic van vele striden

Godinghen der Graeven vele

Hou ir t arre quame ten dele

Zonder aterlike strecken

[10] Ofte metter pluum te spreken

(Wen Godt betere vele beleggen)

Enkel waeraft wil ix zeggen

Ofte laeten zoe ix vonde

 

t' Is geschiet als ix oirconde

[15] Over menich hondert jaren

Toe de Neder-gauwen waren
Van de watere overlopen,
En ne mensken rote te hopen
Gaulen en Spangen ave te lopen
[20] Emme der Kimper groet getale
Zolkes weet men harde wale
Waren to miten doet geslagen

Zoe das in arren lege lagen
Wt der Hassen vnd gebuuren

[25] Serbsten ond te inmundueren

Al mit krafte overspanden
Ade batten uten landen
Te verdrunc metten wapen
By rade der bande papen
[30] Ende Godescalken waren
Met die aldel batte scharen
Die ne raden dere wiken
Die wy besitten te bestriken
Zonder slach, wan zy ne wisten
[35] Daer ne woonden ni dar ti visten
Al dat lant was laech gelaghen

Dus besonden zy di t zaghen:
Het bevil tot haren hepen
Dus toghen zy af met scepen
[40] Mannen, Have, Vee, tien tiden
En begrepen zonder striden
Mitte kinderen ende vrouwen
Tussen Rien en Wahl tie gouwe
Wied en breid; als ix verhale.
[45] Vele Greven zonder falen
Haben t' lant bericht te minne
Schriben nochte ix ne kinne
Waren zi gestorven waren
Ofte aan s Lants bericht gevaren
[50] Wan tie Runers e ontbraken
Tie woizen skriban irrer zaken.

Onder allen die gewezen
Haben Greven, vin ix dese
Waremir, wis t ochter rhynen
[55] Aafte sitsen hag van Thymen
Der serbusten, zondere mere.

Wonder is by dese kere
Das geen Runers ons oirconden
Van den steden di zi vonden
[60] Of zi mosten ni gewezen
Haben desen keer mit eren.
Terpen vind ix harde wale
Ti ix op ir stat verhale.

Katenwald die metten eyser
[65] Van Romen Gillis eirste Keyser
Maeckte daingh over landen
Ende gaven er toe tie handen
Zoo als t' lanch gebleven waren
Zonder schot of lot te garen
[70] Das geen ander land mocht beuren,
Want zi broeders hieten heuren.

Gillis Ziwers Bouwens zone
En was Broeder van ti gone
Die genert als adel Grave
[75] Worp den Roemsen Arent ave

En den roden Lybert plante:

[-]

Tuse skeret hair tie gouwen
Wes ke sworen had i trouwe
Over Albe in ze slachte.
[80] Ond verdraf mit groter krachte

Onder helpe Trier en Gallen
Tie voir zynen Libert vallen.
Tot i zelve wort geslagen
Tot Furstenbarch en over Nymagen
[85] Liten Batenborge bornen
En ten battenwaerde tornen
Over stroem, zo dat te male
Op tie brugge van die nau Wale
Wurt gedainget van den peyse
[90] Waer hy sturf, en op wat weyze,
Adel greve Glaude Schevelen;
Vint ix ni in geene delen.

In zyn tyden hier te voren
Was een adel bel te boren
[95] Her, wes name vint ix zo
Dat hi hete Brinio
Die met zine krieg gebarden
Inden Kattewycker warde
Twe Romeynen Blockhusen slechte
[100] En twie wyghen wan mit vechten
Ti man waant dat haben mit eren
Brit en Romonburche geweren.
Daer ti Barden garven waren
Hoe den landen is gevaren
[105] Na den val des Roemschen rike
En vant geen men zekerlike
Weet des heb ic mi vex..aren
Ander beuselycke maren
Ti di onbedreve luden
[110] Zonder afterdocht verluden
Is mi ni om waert te skriven:
Des zo laet ik selve bliven.

T es geschiet als ix bevonden
Mer den tyt ne vinde konde
[115] Das de Enchlen und de Saxen

Mit gewaren endt bardaxen
Mitte baxen ende vlooten
Haben utten lande stooten
d' Imsater vande Britten
[120] Welcker Heirtoch was gehitten
Haren Engist ende Horse
Die gelyck een euvel orse
Al die Brittense Serjanten
[-]

Tavnede tot irren onvromen
[125] De Zund den Rine inkomen
Unde slopen huus en have
Wider vind ix ni daer ave
Dan das zi vor tegen waren
Haben in Gallien of ke varen
[130] t' Lant das si na irren namen
Hiten Bretangen al te samen.
En ti Saxen overquamen
In Britangen angespanen
Unde vertriben vande Normannen
[135] Gaan de lande die gelagen
Tussen maar Zee ende Nymagen
Rien en Mase en Torp Assen
Al die Goyen heten Neersassen
Tot zi van ti wilde Vrisen
[140] Harde geklopt na wych verlisen
Wiltenborch habben begeven
Ende zunt over Ade getreven,
Zo das t' lant hi al te zamen

Namaels hite Frieslant by name
[145] Hoe den aar der Baterawiren
Es so baretyc vertieren
Es mi niet bekant by namen
Wan ti Swindel onbequame
Ti de Landen overlopen
[150] Mette krieg en woeste hopen
Schinden bannen en dan roven
Alle konsten gaen verdoven.
Vele haben twifelt zere
Of ti Tietsken emmermere
[155] Ti Bardsangen te skriban ploenen
Mes das solcks bestonden doenen
Hat ie ix voor overwanen

[-] 
En ti Barden woizen lezen
Ti nog overich haben wezen
[160] Minen daghen binnen Hegmonde
Zolckes hab ie zo bevonden:
Alte bouken ons verkonden
Das ti Sales sint vertriben
En de baden om te bliven
[165] Wonen onder Battenenwierden
Mer ein ander Tiel begierden
Der quaden Zund van Saxen teyle
Wider ti Salers overpeyle

En ti Salers hadden gieren
[170] Over maet te Battenewieren
En ti landen in geholden
Folckes oic vermanken solden.
Dan zy wierden afgewezen.
T' es geschiet niet lanch na desen

[175] Dat ti Sicambrinen salen
En ti Vsipers bi malen
Battenewiren en ti Friesen
Namen over Ryn te riesen
Als si deeden met veel ander
[180] De eyne volgede malcander
Tegen Romen wilden zi striden
Des zi deden in ti tyden
Ende Francken zien by namen
Landen en Luden al te samen.

[185] T es geschiet gelijc wy leeren

In 't geboertenes ons Heeren
Daer omtrent of zo waerachtigh
CCCLXXXVIII [388].
Tot di Gaulen over gingon
[190] En de Francken naem ontfingon.
Dikke heeftet my verwondert
Dat die Vorsten hooghermondert
Van Frenkerike hier te Lande
Hadden hoeg bestier in handen
[195] En ik merket over dezen
Of zi niet wel haben wezen
Van den Batenewieren bloede
t' Starcke my in dit vermoede
t' Wapen-schilt en rood Libere
[200] Das zi voerden in di were
Ende namaels overgeven
Haben weder onzen greven
Mitte gravelyke banden
En bruin schilde van Vrieslande
[205] Dar die groote striet om ware
Eer zi holden wolden haren.

Waernemont wort oic gelezen
Irrer Fursten, eirst gewezen
Mer ti adel Waernemunde
[210] Waren huden unse grunden
Ende Clotewich men achte
Zie van Greve Gerolfs geslachte
Walkes sunt daer na in handen
Krieg das Greefschip Tiesterbande
[215] En zin ander oir bevonden
Wurt ein Greve op onsen gronden

In 't jaer ons Heren geprezen
VIIIc en X by desen
[255] Als Koninch was zekerlicke
Karel de groote van Frankryke
Quamen ti Noren by geleyde
Van iren man Gottric, beyde
Mit scuten CC, en onse vele
[260] Roefden Frieslant an drie delen
Ende sloegen ti Friesen beyde
Harde in drie staende striden.
Kaerle hoerde solcke maren
Ende bereyde ir te varen
[265] To wederstant, wanneer i hoerden
Datten zine luden vermoerden
Rusten Emmingen te bestriden.

[295] Meremals tot andere tyden
Deden di Noren groete schaden
Onder Noric zi bestraden
Uterichte, ende namen
BetenenWyke te Duirstede zamen
[300] Lodewyc die goede here

Als hi berichte, quamen were
Di Normannen op gevaren
De Wahl mit scharen
Ende Nymagen zy bevoten.
[305] Banberose liet ti sloten
Weder maken als wi horen
Di ti Noren deden ti storen
Dagobert bestreet ti Friesen
Ende dede ir verliesen
Den slach mitten Bartuwalden
[220] Ende wat Friesen i behalden
Langer als syn glavy, lite
Datelic dat hoeft afsmiten,
Wiltenborch dede hi storen
En om t' heyden Diet bekoren
[225] Dede ir een kerke richten
Van S. Thomas op ti Trichten
Adgilt berichte ti Friesen

Ende na hem ti verrisen
Radebolt ti onsen Here
[230] St. Wolfram wilde bekeren
Ende lieten zo belopen
Offen wilde laten dopen
Mer wen i sien voete plonte
En ti ander in te fonte
[235] Zetten wolde, sprak i mijn
Zeg mal weer min Atteren zijn
In ti himmelum, of weder
In ti hol gevaren neder.
Wolfram antwoerde hem, das
[240] Alle wie ongekerstent was
Storven, wisselic verloren:

Wal sprac i ix laets u horen
Das ic by das meerder erven
Van mien Alteren na mien sterven
[245] Dan wil wisen vry van schanden
In Wodins over zelige landen
Tan mit luttel armen Christen
Ti my .. intich nimmer wisten.
Uten fonten is hy toghen,
[250] En tum derden daghe gedroghen
Gravewaerts om sien gesellen
Zien en spreken in den hellen.

Korts dar na sien wedercomen
Over Zee die fel onvrome
[270] Wrede Noren, ende roven
Al dat land an zee gesonden
In tie havene van Hegmonde
Die de Hegge plach te heten
Eer des Bedehuys te weten
[275] Daer in lange was gestichte
Dit nu after Dunen zwichte
End zunt to Nurtika komen
Daer zi tegen trak die vrome
Greve Gerolf en Tibbold, agen
[280] Rinesburge, daer zi lagen;
En te wan dat Noertse here
Was te kraftich in te were
En te euvel wurt edragen
Bleven zi te beyde slagen
[285] Das harde droeve was ti goen.
En ti heylige Ieroen

Grepen zi en deden wylen

Grote pien, staken met pylen
Int lyve, en bornden over zere
[290] En te spotten allen zere

Onsen here ende onthoven.
Zelande zi oec beroven
Daer Greve Eggaert Halpdams zone
Bleve in ti weer ti gone
Ti reden datten wederstoet
Greve Gerolf wan zin goed
[310] Dat ti Noren onderwonden
Te beroven, wan ze versonden
In gesantschepe na den schine
An den Keyzer Kaerle en pyne
Die em sant hiet Gotefriet
[315] Ende anderwiel vertriet
t' Noertse Volck met zine hoede
Hoe yh daer ave was te moede
Mach een yder proeven wale
Wat hilp in of veele tale
[320] I ging zo den Noren ave
Ti em hadden gelooft veel gave
Kande i de vrede betraken
Das zy kortelinge braken
En namen daer toe das sine.
[325] I hadde vercregen mit groete pine
Trouwe daden ridder banden
Van Koninch Arenout van Frankenlande
Mette zegelyn en briven
Zommige Landen aan hun Liven
[330] Die al te zamen waren zine
Zuderscagen tussen rine
Tussen ti noert A en Ooester Sassen

Geiste lant en holt gewasse
Ein hoeve in Bodenloden grave
[335] En in Alpen bruk twie haven.
In Olthornunc eine hoeve
En in Huwy ein manse toeve
Te tolen asseke ein manse als voren
Met al watter toe mach horen.
[340] Te Frankenwairde was 't gegeven
En met teyken onderschreven
Na ons Heren geboerte wegen
Int jaar VIII. LXXX ende IX.

Die wanneer i opter straten
[345] Hadde in Porenborg zien lief elaten

Was den Lande zonder Greve
En ti ander Noren bleven
Te Vleretdingen ende vesten
Tegen ti Frenken al haer besten:
[350] Kinder ad i twee by namen
Tideric en Walger zamen
Beyde jonge zonder tide
Ende onbequame ti stride
Ti irren Mouderes zusteren anke
[355] Namese to si onder ti Franken
Ende leerdese kerstynhede
Ende ridderlyke zeden.
Deze Walger t' eender wrake
Dede voer zin Vader smake
[360] Erhauden ten Noerman ti doet
Die er uitten zaden skoet
Op ti jachte onder 't jagen
Ende wurt oic zelve slagen.

Zo dat Tideric alleine bleef
[365] Ti irnare warde Greef
Walgere is alzoe gestorven
Ende Teysterbande bedorven
Dat i hadde als Greve vercregen

Daer na ist aldus beslegen.
[370] Kaerle ti Simpele zekerlike
Di das zwaert droug van Frenkryke
Om datte veele kwamen ti Noren
In Frieslant zine landen storen
En i bescharmen niet ne mochte
[375] Hy dus aller ierst berochte
Tiderike te geven in handen
Ti bardaxe vanden landen.
Datti bescharmen zolde voirwair
Zyne luden al te gaer
[380] In dat kerstelike gelove
Als hun Gode van boven
Gepreket van Sint Williboert
Ti Pippyn alse hi hoert
Zant in borenes ons Heren
[385] Ses hondert en negontich viere [694].
Ti Friesen goede te doen kont
Totte Weskaple hy vont
Ein Godse Wodin aenbeden
Mercuriose na heydense zeden
[390] Den i brac, unde terstont
Wort i swarelike wont
Van ti Mercuriose wachte.
Efter preekte i mit krachte
Oestwaert onsen Here te recht

[395] Ente quam al to Utrecht
Storen ti Godsen onverholen
Alsse Paus Serges hadde bevolen
Ti em Aersbiskop hadde ewyet
t' Utrechten i liet
[400] Zynen stoel, ende bekeren
Vele luden t' onsen Here
Angels uten Nedersassen was
Van Northumberlande, das
Ons tie schreften laten horen
[405] Sinte Willeboerd geboren

En te preeckten zy te mael
Gode in ti Friese tael.

 

DIRK de Ie. GRAAF.


Nu keren wi weder geliek
Totten Greve Tideriek
[410] Das Greefschap Hollant gelagen
Unde bericht unse dagen
Billicke unde na wens

Adel heare Greve Florens
Is ein stik van Frieslant voren
[415] Gewesen, alse wy horen
Woe die Friesen Anglen en

Saxen mette Allemangen
Verhiven over Bretangen
Dus ti in dem Lande bleven
[420] Was de nanne Friesen geven
Sus die altsten in recht
Unde fane Francken geslecht
Mitter grooter mogenthede.

Friese was bekant van zede
[425] Greva Gerolf wt wi gelick
Namaels heeft Tiderick
Das swaert geheven als rechter oire
Di wrede Noren te stoiren
Als hy dede ende kreeg
[430] Brieven ti ic ni en sweeg
Fan Karel ti simpel mede.

Inder Drievoudigheden
Name Kaerle Koninck gelick
Van Oest ende West Frenkrick.
[435] Als billick is en wi verstonden
Onse liven op onse gronden
Tegen alle wtheims gewalt
Te beschouwen, dus zi gestalt
Al by onser Mogenthede
[440] Mit volle macht ane te leden
Ende ave na behoren
Zo das was hie te voren
In zine Greefscepe bekent
Ende over dair omtrent
[445] Onsen getrouwen Tiderike
Dat i daer af geve blike
Ende ekk hem volge heden
Met desen brive na kersten zeden
Dus gaven wy hem das gebiet
[450] Na goet en rype beliet,
Over landen en luden.
Als hier nevens wy beduden
Ti hem eygen ne waren niet al
Voertan zint bi dat getal:

[455] Ierstelike ni beresten
Over ti Nakommers te leste
Hem en de zine an 't oud gebied
Van al wat hem eygen hiet:
Dat hem God starcke daer boven
[460] Over het Kersten gelove
Voer te staen al mit macht
Iegens dat heydens Diets kracht

En gewalt, en ave treken
Van Kerstens die trouwe breken:
[465] Dus geven wy hem daer vrank
Das swaert over, bread en lanck
Te gebieden allen kanten
(Wtgenomen eenige Landen
Ti onse stamme eygen sunt
[470] Daer em die breuke of wart gegunt
En di tienden te heffen mede
Dese blyven ons ter stede
Met haren rechten bewaert als voor
Datter niet ave ga te loor)
[475] 't Land dat hy zal berichten
Oestwairts bepaelt na ti Trichten
Tot Suuthardeshage
By Bodeloden grave gelage
Daer sin Vaderes Greefschepe gelach
[480] Als 't was op desen dach
Tot t' Westen by Katiks ende
Zuutwairts Fortrape belende:
End Noirtwerts zy t' and
Daer men ti Beke Kinheym vant.
[485] Aldus gedaen ziende op heden
Willen wy dat em zi vrede

Van iegelicke in zin bezit.
Ende die em tegenstit
Datmen hem ave doet rumen
[490] Ofte straffen nader coustume
Daer die mesdaet gelegen es
Int jaer der geborenes
Ons Heren hoig verwondert
Vut einen Maghet negen hondert
[495] Ende XXII [922] bat
Gegeven tot Aken in di stat
Oppe Paes-avont, ten leste
Met onsen Vingerlink beveste.

Dese Konink Kaerle goet
[500] Gaf namaels metter spoet
Tot Bladelle in den jare
Negen hondert over ware
Ende drie en twintich [923] bat
De reste van dat hi besat
[505] Al in Tideriks Mogenthede.
Tot een eygen erfachtichede
Hier voren geroert, in vrede
Over bede van Greve Hagen
De Kerke to Egmont gelagen
[510] Al met dat geestelic gebiet
Dat jegens Fortrapa stiet
En Kinheym als men ziet.

Bedy heeft hi oic vercregen
Ein gifte t' eender wegen
[515] Jegens zin Wive Hildegaert

Tie em Aernout heeft gebaert
Te Gante, in hare mogenthede
Dat zi voegen zoude mede
Wasda dat foreest
[520] In haer mogenthede t' meest
Aen zin Graeffschepe als voren
Met al wat er toe mach horen

Dit gaf em Lowys met min
Doer zin wyf Emme tie Koningin.

525] In zin tiden wiert gevonnen
Dat lyk Aelbrechts van eine Nonne
Dat men verdroug, tot Egmont

Ik moet u zeggen goet ront
Datte de iesten ons ontbreken
[530] Om dudelicke te spreken
Van vele dingen als ic wil:
Dus zo bid ic alle stil
Datmen mi quite of iks fale
Ofte ergens inne dwale
[535] Want ic clechtelike zeggen zal
't Ware dat ic vinde al.

In dese Tidericks tyden
Waren vele wichen en striden
Metten Friesen ti ne dulden
[540] Woude nochte billic hulden,
Toch zi worden wale gedwongen
Daze jem ouer Heare hulden.

Sinte Jeroens gedenkenis
Oic van dese Tiederic is
[545] Van Nortika to Egmont gedragen

Dar i noch licht zinder lagen
Ende het holte Kloister daer
Dat ontdede hy voirwaer
Ende richte het weder van stene
[550] Die Nonnen oic zoude ik menen
Heefte hy mede onverlet
Over to Binnebruk geset
Ende zetter in wat vorder
Tie van Benedictes order
[555] Ende gaf den Monniken goet.
Ieften vele in overvloet.
Zin wyf Hildegaert mede
Gaf in vele dingen met rede
Tafel schoene zonder joek
[560] En siere Evangelen boek
Vol adel steinen en goude
Das zi noch in eeren houden:
Egbert iren zoene fier
Tie Aartsbiscoppe van Trier
[565] In Bretangen van ir geboren
Gaf den Godshuse te voren
Gemeldet, mede goeden veel
Als oic zin Zustere eel
Arlinde scank en misgewade
[570] Kostelike en van stade
Ende was as ic hou gewis
To Bennebrucke ti ierste Abdis

Tideric verwarf oic mede
Overmits Theofanen bede
[575] Van Koningh Otten, en zin Zoen
Egbert ti Biscop schoen
Ente Otten neve Henric van Baren

Hertoge hoge overware
In vrien eygendoeme, wat
[580] I van iem te lien bezat
Tusken ti wateren Langir oire
En te Isle overbore

Dat holtgewas en lande trou
Mit ti hoeve Sonnemar gou.
[585] En watter tusken ti Ade lage
Van Medenblec en Marcken tage
Geneloos aer, en al das
Iem tot Texela eygen was
(Wtgezeit dat huuslade ter degen)
[590] En dat in Kinheym is gelegen
Ende in Maeslant gaf i em
Met al wat er hoirt aen hem.

Dese Tideric voirscreve
Is gevaren ten lange leven
[595] Tot Hegmondt daer i ter uutvaert
Twee jaren na Hildegaert
Isse gelegt en begraven
God heeft bider de zielen ave
Want i starf t' jaer waerachtich
[600] IXc en LXXXIX. [989]
Zo dat i berichte voirwaer
Omtrent LXVII jaer.

 

AERNOUT


Arenout ti twede Greve

Zynen Zoene is gebleven
[605] Aan 't bestier, ti men voirwair

Nemet Arent ti Gentenair
Want i van zin Moederes weghen
Ti Burchscepe hade vercregen
Voir Egebrecht zin alve Broer
[610] Ti na Trier as Biscop voer.
I aefte bi zin Vaderes leven
Ende iem wurt ten wive geven
Ti Dochtere van ti Keysere faen
Grieken de kleyne Romaen:
[615] Genant Luitgaert zeer schoene
Ende doegdelic van persoene.
War an i wan mitter vaert
Tideric ende Sivaert
Sicke genant, ti ir nare
[620] Ien doet sloeg, doer vare
Toeg i na Kastrichem, daar i
Eene Goswin wt Frieslant, bli
Wirde geholden en ontfaen
Waer ute is ontstaen
[625] Doer praten en wyve trien
Ofte andere toveryen
Datti Tietburge nam te wive.
Zin Broeder wilde ontlyven
Opt leste wurde et gedaingt
[630] En te i van Kanemerlaingt
En Frieslant geholt overware
Jegens zin broeder openbare
Tese Sivaert kreeg ien Soen
Tideric genant schoen
[635] Wt Tietburge, tie na desen
Van Breaderhode iest gewesen
Die ierste Baroen van Zevenburch

En Godefried van Lutzelburch
Toe nu Aernout als Greva
[640] 't Swaert hadde opgeheven

In zin Vaders plaets overwaer
En te i fan te Friesen skaer
To Sudermuda wolde gangen
Na kostume t' schilt ontfangen
[645] Spraken zi overluut
Zi ne wilden van im gebruut
Niet sien, nochte iem hulden
Nochte zine dwanch gedulden
Ier toe gaf im himlic recht
[650] Zoo t' scheen ti Biscop t' Uutrecht
Echter troc i de hant daer ave.
Mar ti Friesen ze ne gaven
Daeromme te meerder niet.
Des hem Arenout onthiet.
[655] Ende trakse te Winckelma tegen
Daer wurde fel eslegen
En ti Friesen hielden t' padt
Hier bleef verslagen, dat
Zy 't gewis, ti jonge Here
[660] Met den zinen in ti were
Als i vyf jaer had bericht
Zine kinders waren licht
De outste twaelf jaren gewesen.
Dus was t' Lant alom in vresen
[665] Zin wive starf kort na iem
Van droefheyt, des gehoerden wi hem
Ende is tot Hegmond begraven.
Verders vinde ic nie dar ave.

 

DIRK


Tideric volgde iem toe dan
[670] Int bericht, ien stout man
Alsse gy zult kurts hoeren
Tie darde Greva geboeren
Aerenouts outste Zoene, tie
Te riese Friesen al zo mie
[675] Wilten ontfaen wie zin fader
Dus liet ize te gader
Ien peis, datze zick beraden
Weder iem hulden wouden of slaen.
Ti Friesen na ripen rade
[680] Ende te vresen voir skade
En wrake voir des Grevan Doit
Haben Tidericke geboit
Se walden iem hulden op condise
Datse die ierste prise
[685] En pine scelden zolden quiet
Nenre gedencken to gender tiet
Jegens t' leit iem wedervaren
Iefte zin Vader over den haren
Datze de Tianden gaven vry
[690] An den Greva, en dat i
Ze zelve zoude laten garen
Ofte vermangelen zonder swaren
Na zin wille ende geer
En te watter toe hoirt meer.
[695] Ente op hoir costen varen
Jegens zines vyants skaren
(Dat em wale quam dar nae)

Sus gaf i ze zine genae
En 't worde gedaingt: hier nare
[700] Isset em wedervaren
Dat ti Biscop van Tricht, Luyka
En te van Trier, to gebruika
Van de jacht en visseryen
Namen in als eyge mitsdyen
[705] Het holt Mereweda te male
Dair die Maze en ti Wahle
Iem vermangen, tier stont.
Dit was Tidericx gront
Des i zik opmaeckte en werpen
[710] Daer op ien veste en Terpe.
En nanden 't Doer Tricht.
Dat men voet hive op licht
En zwaaer mangelinch en vrachte;
Ti bi dage of nachte
[715] Die Ade ope of neder vaer
Dit namt ti Biskop zwaer
Van Trichte en klaechden t' ti Keyzer
Henrike ofte ien weyzer
Zinde onrecht adde gedaan
[720] Ti Keyzer op zulc vermaen
Ieft em getroest, en gebaden
An Hertoge Godenfrade
Van Ardenne heirvaert
Te beschriven in t' Batauwer waert
[725] Ende van Nimagen te faren
Tot Alleblas mit zin sckaren
En ti Greva oppe te slaen
Tiderik ieftet verstaen
En trock mette Friesen oppe,

[730] En te besatten en stoppen
Ti Gizenbrogge, des man
Kwame opt water an
Mit scuten bi nacht zonder skieten
Jefte roepen, dat mach mi spiten
[735] Sprac ti Greva das zi t' ontgaen
Zin, sus sinne slaen.
Maer sprak tot ti Friesen weder
Mannen in trouwe gift u neder
In die lage opt lest
[740] Ier zi vaste zin gevest
En greep ane met fellen moede
Voerzeker ic sta u goede
Alse gi treft voren aen
In ti zide wol icze slaen.
[745] Wes zonder anxte of vare
Hoewel zi vele scaren
Zint, eune onser kurte getal
Anne Godes hant hangt al.
Dus haben de Friesen begonnen
[750] En de warpen die tonnen
Ave in ti morgen raet.
Ti wieg word harde en quaet
In t' moer, en ti Grave
Trak toe, dus gaven
[755] Di viant zig int riet.
Ein stem riep: Vliet, Vliet,
Men ne weet ven waer t' luit is komen

Daer liep ti Hertoch ter stromen-
Waerts, en elk volgde im naer
[760] Dat krigen wort fel en zwaer
Tussen ti baxen en scuten

Opt lant en daer buten
Vil menien man, ti Biscop
Kwam cume mit kleine trop
[765] In ein scep, en ist ontlopen
Tegen zin wane en hope
En is bi de zine gestelt
Dus hild Greva Tieric dat velt
Met grote bote en blef houwen
[770] Mereweda, Alleblas, en ti Gouwen
En stromen in zin gewout.
Ti Hertoge wort quite scout
Al uutre vangenesse
Alse het wurt in daingenesse
[775] Gebracht, ende Tiderick
Aefte ien wyf schoen en rick
Ti Othild hite bi name;
Taer inamaels ave bequame
Tideric endr Florens.
[780] Sunder krege hi dat gepens
Dat i wolde varen mit eeren
Tot des helieg graf ons Heren
Ti ierste Greva di dat bestoet
Ente alse hi weder goet
[785] Was gekomen bi den zinen
Bedachte hi tesen pine
Te gevan ane Sint Alebrecht
Tot Hegmonde te recht
Vele dingen ter stede;
[790] Alse zin Broder Sikke mede
Dade, en starf, en legget terstont
Mit zinem wive al tot Hegmont.
Na iem hielt Tideric weder

Kenhem ave, en vil neder
[795] In kranchede, alse hi
In ruste dat lant bli
Langen tide hade berechte
Over Hearen en over knechten

Ic heb verstaen al voirwaer
[800] Dat hi stierde XLVI jaer
En laget mede t Agmunt
Zinder lage.
Ik zeg zunt

DIRK

 

Is int berichte gevaren
Zin kint Tiedric overware
[805] Ti ni lange greva bleef
Want ha alse men screef
M. XLVIII [1048] ons Heren
Jare, zo rees die vete were
Tussen di Keisere en zin trien
[810] Jegens ti jachte en Visserien
Ti stonden bi zin Vaderes tiden
Ti Keizer kwam af to striden
Omtrent Paesen al in dat Tricht

Ente bi iem quam, niet licht
[815] Ti Marcgreva fan Braban
Al mit menic stoute man
Zi kwamen ave te scepe
Na Fleretelingen slepen
Daer ti Greva Tieric was.
[820] ic moete u zagen das
Ti Biscop wase had groeten vaer

Als iet wale blick daer naer
Zin volck te ledene ter heervaert
Hi bleef after in ti staert
[825] Ende wurde alzins te moe
Dat hi blotelicke zag toe
Hoe ti wiech zolde vergaen
Ti Keisere ging beslaen
Zin here al om den Doer-tricht
[830] En wan ti veste nie licht
Ente trac ave te Fleretelingen
Greva Tidric quame bespringen
Met lichte scuta groet getal;
Ti grove scepen ni smal
[835] Volgde nare, mette ebbe
Twi stiter jegen die grebbe
Ende zat vaste int murch
Ti dage wurt Kenenburch
En Fleretelingen alle verrast.
840] Mare alsse het watere vast
Woes, en ti jonge Grave
Ane quam, en daer ave
Ten diek scilicke doerbrack
Dien ter halverwegen stak
[845] Zat Keizer Henricx here
Al om blanc in dat mere,

Ti Keizer zelve liep gevaer
Sus kunde i ja daer en naer
Verdere nederwaerts ni geraken

[850] En moeste de tocht staken

Onverricht en kerene weer
Greva Tierick zinde das heer
Breken en ti gewaren swanken

Al in roere en datte planken
[855] Ontbraken, vil met menic boet
Op tie scepen en namze, daer stoet
Ti mogende Keisere begrepen
Van wenige Fresen, zonder scepen
In t' slyke, en trac ave.
[860] Daer vil ti jonge Grave
Metten zinen in ti staert.
t' Here worde te barentaert
En ontdane, wo vil daer bliven
Zolen wi ja ni licht scriven
[865] Ti Keyzere selves kwam
Kume daer ave t' Utrecht, gram
Op Biscop wasse tier stonden
En te dwongen CCC ponden
Zilvers ave, ware het recht.
[870] Grave Tirick trak recht
Op den Doerdrecht ane, en wanze
Daer begaffen de kanse
Dat ti Hertoge van Braban
Van ten zinen himble zan

[875] t Oertrecht ave den boom, datse
Ti Adel Greva Tierick verraste
Als mit ien feninige strael.
t' Is gesciet als ic verhael
Dat i starf vane dat hinder
[880] Sonder wyve zonder kinder
Alsus opten Doertricht
Negen jaren jeft i bericht
Zin Broeder Florens volgede mede
Alse recht was in ti stede.

 

 

 

Dese Florens ti viefde Graef
Na s' broeders doet, segge ic aef
Dat hi huwede ien wyve
Adelicke en schoen van live

Hareman van Saxen Hertoge
[890] Kint, daer i ave kreeg
Ien Soen en Dochtere van deeg
Ti ave ti kroen van Franken
[-]

Hi gaf mede veel in danken
Den Godshuse t Agmunt
[895] Over ziender Wyven gunt
Ti Geretrude hite bi name.
t' Is iem overkamen
Dat ti Hertoge van Braban
Ti Biscop van Keulene an
[900] Ti Heare van Cuuk mede
Utes Keizers name strede
Op Greve Florens, om dat
I in zin gewout besat
Ente als zin vorders hiere
[905] Het tricht op ti Merwa, griven
In doer groete lasten zwaer,
Dus togen zi op aldaer
Mare worden tegen wille
Ontdaen, daer sat stille
[910] Ti Biscop al van Uutricht
Ente ne darve zik in den twicht
Steken wt anxte en vare

Florensce mare
Ginc over dat Lant.
[915] Zo dat zine felle viant
In gien poert peinsde zeker wesen,
t' Es geschiet alsse wi lesen
Op ienen dach dat i sloech
By Hamert vreeselicke gnoech
[920] Tusken ti Maze ende Wahle
Ente ging mat onder ien boem
Liggen tot raste toten droem
Aldaer quamen ane gereeden
Ti Heren van Cuuk in zine geleden

[925] Tie em verraste en sloeg em doet
Dat was ja jammere groet
Voer hem, en ti mettem bleven.
Dus voeren zi ten langen leven
Ende begraven tot Hegmunt,
[930] Alle t' land stont over unt.
Dit heft zick alzo vervareu,

Als men schreef Godts geboerte jaren
M. LX ende ien [1061],
Alze hi der jaren dertien,

[935] Hollant hadde bericht als Greve
Zin Wyve Geertruut is bleeven
Ant bestier jegens hair kroest,
Ende want zi behoifde troist
Ende helpe, dieze stuwde
[940] Ist beslagen datze huwde
Die outste Zoene van Boudyn
Vanne Vlaender, dat i zou zyn
Voegt jegens ten jongen Grave
Daer oic dese Robbregt ave

[945] Den name Robbert die Vriese behalt
Want voir Godevairt metten balt
Hietmen van Frieslant grave
En de dit kwam hem dus daer ave.
Hy hadde als voight het land bestelt
[950] Agte jaren, tog met gewelt
Die gebochalde Govaert henen
Op Hollant zoude ic menen
Toeg met groeten heer,
Biscop Willem in ti weer
[955] Van Uutrichte halpen mede.
Robbregt most ruumen ti stede
En te trak na Vlaenderlant
Dat hy krege als Grave in hant
De builtrugde Govaert
[960] Prante rechte voir zin paert
Op Hollant, om dat vore langhen
Zine voorder, ti gevangen
Hertoge Godefroi van Arden
Wien Tierick ti darde pren
[965] In den slach van Henrike
De Keizere tot zikke
Volgens onzagte breven gewan
Sommige dingen als 's Vorsten man
Den i met Biscop Willem hive
[970] Van te Keizere als zin live.
Zy verworven beyde te hant
Jegons Geertrude al Hollant
Onder hen beyden te schikken zamen.
Zi mochten 's hun billixe schamen
[975] Zolcken aterlycke bestaen,
Het isse Biscop Willem vergaen

Als men zegt, want hi onder
Godevaert halp byzonder
Hollant, dat i vier jare bezat
[980] Met gewalt, als menic pat
Optie Oest-vriezen had begangen
Scade gedaen ende ontfangen
Dat i als alle Tirannen ploen
Niet ondere voer zonder bloen,
[985] Zittende op een himmelickhede
Tot Dalft, wirt hi beneden
In zine fondamante getreft
Van Tiriks knape Gyzelbrecht
En te lieten t' Uutrechte dragen
[990] Dair i starf mit felle plagen
Ente Willem kort na iem

Onder voer, dus hoerden wi hem.
Tot noch was Hollant zonder zyne
Heare dat en dede pine.

 

DIRK


[995] Tiederik de sesede Grave
Ti wt zine Vaders have
Van Godefaert, ti Billioen
Was gedreven, is di goen
Ti mit zines stiefvaders machte
[1000] En ter magen hulpe trachte
Na zyne erfachticheyt stout
Biscop Willem hade gebout
En vaste Burge t' Ysselmonde
Dare toe Coenraet tier stonde
[1005] Oppe was, dit ieft verstaen

Greva Tierick, en ging beslaen
Alomme en trak zine scepen
Tegen opt Mereweda, daer grepen
Zi mit force ien ander an
[1010] Diederick wast ti de wyge wan,
Ende stormede opt Slot
Ende scoter oppe tot
Iet inden brande rochte.
Daer hulp gien water watze brochten
[1015] Ti knechten, het most ane den gront
Biscop Koenraed wurde gewont
En gevaen, zo men mi zeyde,
Tien Greva korts los leyde.
Dus gewan i mit mogender hant
[1020] De zegen en trak int lant.
Hy berichte dat lant in vrede
Vyftien jaren ente nam mede
Ene vrouwe ti hiete Othilt

Ente wan, alse gi weten wilt
[1025] Ein kint Florens, an zinder stede
Hi hevet begiftigt mede
Dat Godtshuis t' Egmont aldaer,
Starf in ons Heren jaer

MCX [= MXC] en iene [1091]mit vrede
[1030] Legget daer oic zinder stede.

 

FLORIS.


Na iem kwame an dat bestier
Ti zevende Greva getelt alhier
Florens ti te boven ginck
Zine vorders in menien dinck

Pag. 281

[1035] Den aefte ane Vrou Peternellen
Tidricx dochtere als wi vertellen
Van Saxen, wes Broder Lothair
Wurde Keizere te Romen voirwair
By desen wive ieft i vercregen
[1040] Twie Zonen by Godes wegen
Die men Tideric en Florens hiet
t' Is geboert alse men ziet
Dar hi Greva ginck wt jagen
In dat holt van Kriele, daer zagen
[1045] Zine knapen ter zelver stee

Ti knapen van Galama,
En tie benamen er drie honden
Alse dat Galama ieft bevonden
Sprak met dollen en arren moe

[Dit geve mi God taer toe]

[1050] Moet ik ten Grave en hi min schade
En hoen niet beteren wil ter Stade.
Zoe ick ein frie Friese ben
Zal t' em vergelden so bat ic ken.
t' Is geschiet nae korte tiden
[1055] Dat ti Greva kwam riden
Ter jacht zoe hi te voren plach
Galama was dar i t' zagh
En spraken ane in arren moede
Onbeskoft, du sulst vergoeden
[1060] Heare Greva ente beteren min scha
Ti Greve sprac als ic versta
Datty behoerde zin Lants heave*
Te ontmoeten mit biter eave*
Ende terwylen i noch sprack
[1065] In dier voegene, zo track
Ti reise Galama zin geware

En ieft den Greva toe gevaren
Ente kwetsten in den arm
Die knape schoet toe mit gekarm
[1070] Ente heft Galama doorgraven
Dat i nedervil daer ave
En te ti bi em wonen zien
Cume ontlopen mit grote pien
Dit es geschiet alse wy leeren
[1075] Int Incarnation ons Heren
XIc. en XII. jaer [1112].
I verbeterede voirwaer
Dat Godshuse t' Hegmunde
Ente gaf em als wy vermunden
[1080] Iefter vele tier stont
Ente storf als wi doen cont
In zinder joget, ons Heren
Jare XIc. en twint mere
Jaren en twie [1122], als men mi zegt
[1085] Dat i tot Agmunde legt
Peternelle zin wive es bleven
Houden voir hair en dare neven
Ire kinderen in hant
Dat berichte over Hollant
[1090] Ende gaf mede vele metter iele
Den Godtshuse voer hare mans ziele
Den zi te Rensburch hadde gericht
Twaelf jaren alse men light
Bevant nae ire mans sneven
[1095] Haer Broder ieft zi geheven
Metter halpen al tot di kroen
Ente hadde te voren schoen
Den Keyzers dwank wederstanden

En in stade gestaen den Lande
[1100] Ente starf ave overwaer
XIc en XLIII Jaer [1143]
Ende laghet te Rinsborch begraven.
Date zi vele gaven
In hoire tiden ane gaf

[1105] Verder vinden wi ni daer af.

 

DIRK


Tideric kwam an den berichte
Na zinen Vader als ti geschichten
Ons zeggen vanne dese tied.
Daer rees grote stried
[1110] Tusken ti Friesen en den Grave
Oppe dat yse daer begaven
Ti Friesen zich na Allekemaer
Ente vloeden were van daer
Over des Graven gewalt en here
[1115] Daer bornede men zere
t' Alleken kanten dat jammere was,
Graven Broeder zyt zekers das
Ti ter eere was genegen
Florens genant, had ter degen
[1120] Gunste over alle genoech
Dat hi fiere mit ongevoech
Moedere en Broedere bracht in are
Moede: des hien spoede voirware
Al nae Frieslant by ongedult,
[1125] Daer wurt i over heare gehult
Ente barnede Allekemaere
Ti verpinede Kenemare

Mosten iem hulden zi wilden of niet
Ente bornede als men ziet
[1130] Alse te Haerleme komen waren
s' Heren husen, dat em sware
Bekam, want Tiderick
Viel oppe ende nam rick
En arme in zinder gewoude
[1135] Als ti Keizer Lothair beschoude
Zant i tien met jonste en macht
Den Gebroeders daer toe bracht
Zo das zi den paise betraken.
Tese Florens van wi maeken
[1140] Ons woirt, alse gy hoirt
Is korte om ien wyf vermoirt
Van ti Heare van Cuuk te Trichte
En te Arensberghe ti stichte
Zolck verraet, daer i sturf af
[1145] Te Rinesborge licht i int graf
En ti moerders mosten lange
Zint ballinck, dat ien vil bange.
Dese Tidrick vinde ic af
Dat i tot ons Heren graf
[1150] Mit groeter gere is gevaren
Als men onses Heren jaren
XIc. en XL [1140] schreef:
Van den Paus verworven heef
Vry brieven ter selver stonden
[1155] Den Rinsborge en Hegmonde
Hadde ien wyve ti Sofie hiet
Ti was als men beschreven ziet
s' Palsgreven Dochtere van Rine
Daer nae geval ti pine

[1160] Tussen ti Biscop al t' Uutricht
En di greva, datte men sticht

Roef en struet beydene anne
Herebrecht dreigden metten banne;
Ende dwanck en met oetmoet
[1165] Date wulle en barevoet
Di bane ave bidden quame.
Int geboernes Godts by name
XIc. LV. jaer [1155],
Wast ien felle kriech voirwair;
[1170] Daer ti Friesen den Kennemaren
Mit roef en bornen zeer bezwaren.
En ti vane Oxtorp en
Harelehem kwamen bi hem
t' Eynder wych, dus vielen ti Friesen
[1175] Ente moesten ter loep verliesen

Negenhondert en twint man bat
Die dare bleven op di stat.
Dese Greva ies in vrede
Gerastet, en ligget ter stede
t' Hegmond begraven als i voirwaer;
Hadde bericht XLV. jaer,
Toe men schreef in 't geborenes
Onses Heren XIc. LVI. [1156]

 

Hier laten wy t' esen tide bliven
[1185] Vane de Grevan bat te scriven
Ente willen van Greve Florens
Hire naere ien groet gepens
Onderwinden te verhalen:
Dit habe ic willen vertalen
[1190] Omme t' oeffenen dennen sin
Der Luden, ti mi mit min

Dikke t' oircont te weten baden.
Batet ni, ten zal ien ni scaden,
Datze der jesten hervarene zyn.
[1195] Bid om Gode voer Klais Kolyn.

 

Escriptum est per manum Nicolai Colini, in Hegmont

 

************************************************************

MATTHAEUS III

 

HISTORIAEL-RYM van BROEDER NIKOLAES KOLYN van EGMOND

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] s Lants geschichten wil ic oirconden

Zoe ic heb geschriban vonden

In den Kloester te Hegmunde

Zo bis t ons die boeken gunden

[5] Die daar zien van alde tyden

Cortelic van vele striden

Godingen der Greven vele

Hou is t arve quamp ten deele

Zonder aterlyke strecken

[10] Oft met ter plum te spreeken

(Wen God beter vele beleggen)

Enkel waraft wil ic seggen

Ofte laten zoo ic vonde

 

'T es gesciet als te oirectide

[15] Over menig hondert jaeren

Toe de Neder Gauwen waren

Van den watere overloopen,

En ne mensken rote te hopen

Gaulen ende Spangen ave te loopen

[20] Emme der Kimper groet getale

Solkes weet men harde wale

Waren to mite doet geslagen

Zo das in arren sege lagen

Vvt der Sassen und gebueren

[25] Serbsten und to Immunduren

Al mit krafte overspanden

Adel batten uten landen

Te verdrunc metten wapen

By rade der bande Papen

[30] Ende Godeschalken wapen

Met die adel batte scharen

Die ne raden dese wiken

Die wi besitten te bestriken

Zonder slagh, wan zij ne wisten

[35] Daer ne woonden ni dar ti visten

Al dat land was leeg gelagen.

Dus bevonden zi di 't tagen

Het bevil tot haren hepen

Dus togen zi af mit schepen

[40] Mannen, have, vee, tien tijden

En begrepen zonder striden

Mitte kinderen ende Vrouwen

Tussen Rien en Wahl thie Gouwe

Wied en breid als ic verhale.

[45] Vele Greven zonder falen

Haben t' land bericht ter minne

Schriben nogte ik ne kinne

Wanen zi gestorven waren

Ofte an s Lants bericht gevaren

[50] Wan tie Runers ne ontbraken

Tie woizen skriban irren saken.

Onder allen die gewezen

Haben Greven, vin ic deze

Waremir, wis t oester Rhijnen

[55] Aafte sitsen hag , van Thijmen

Der Serbusten, zonder mere.

Wonder is bij dese kere

Das geen Runers ons oirconde

Van den steeden di zi vonden

[60] Of zi mosten ni geweesen

Haben desen keer mit ezen.

Terpen vind ic harde wale

Tie ic op ie stad verhale.

Katenwald die mitten eijser

[65] Van Romen Gillis eirste Keijser

Maekte daing over landen

Ende gaven er toe die handen

Zoo als t' lanch gebleven waren

Zonder schot of lot te garen

[70] Das geen ander land mocht beuren,

Want sij broeders hieten heuren.

Gillis Ziwers Bouwens zone

En was Broeder van die gone

Die genert als adel Grave

[75] Worp den Roemsen Arent ave

En den roden Libert plante:

[-]

Tese s kerel jair tie gouwen

Wes ke sworen had i trouwe

Over Albe hi se slachte.

[80] Ond verderf mit grooter krachte

Onder helpe Trier en Gallen

Tie vor zinen Libert vallen.

Tot i selve wurt geslagen

To Furstenborch en op Nimagen

[85] Liten Batenborge bornen

En ten batten waerde tornen

Over stroem, zo dat te male

Opte Brugge van de nau Wale

Wurt gedainget van den peyse

[90] Waer hy starff, en op wat wyse,

Adel Greve Glaude schevelen;

Vind ic ni in geenen deelen.

In syn tyden, hier te voren

Was een adel wel te boren

[95] Her, wes name vind ic zoo

Dat hij heewte Brinio,

Die met sijne krieg gebarden

In de Kattenewyker worden

Twee Romeijnen blockhuijsen slechten

[100] En twee wijchen wan mit vechten

Ti men waand dat haben mit ezen

Brit en Romenborghe geweesen.

Daer ti barden gorven waren

Hoe den landen es gevaren

[105] Na de val des Roemschen ricke

En vant geen men sekerlicke

Weet, des heb ic mi ver..aren

Ander beuselyke maren

Ti di onbedreve luden

[110] Zonder afterdocht verluden

Is mi ni om waere te s hriven.

Des zo laet ic selve bliven.

'T es geschiet als ics bevonde;

Mer den tyt ne vinde konde

[115] Das ten Englen und de Saxen

Mit geweren ende bordaxen

Mitte bazen ende vlooten

Haben utten lande stooten

d' Insaten van de Britten

[120] Welkers Heirtog was gehitten

Haren Engist ende Horse

Die gelijk een euvel orve

Al die Brittense Serjanten

[-]

[125] Tornede tot irren onvroomen

De Zund ten Rine inkoomen

Unde sloopen huis en have

Wider vind ik ni daer ave .

Dan das zy vor tegenwaren

[130] Haben in Gallien af te voren

t' Lant das si na irren namen

Hiten Bretangen al te samen.

Eer ti Saxen overquamen

In Britangen angespanen

[135] Unde vertriben vande Normannen

Gaan de lande die gelagen

Tussen maer Zee en Nimagen

Rien en Maze en Torp assen

Al die Goyen heten Neersassen

[140] Tot zi van ti wilde Vrizen

Harde geklopt, nae wych verlizen

Wiltenburch habben begeven

Ende zund over Ade vertreven,

Zo das 't Lant si al te samen

[145] Namaels hite Frieslant bi namen

Hat den aar den Batenen wiven

Es so barelyk vertieren

Es nu niet bekand by namen

Wan ti swindel onbequame

[150] Ti de landen overlopen

Mette krieg en wuoste hopen

Schinden barnen en dan roven

Alle kansten gaan verdoven.

Vele haben twifelt sore

[155] Of ti Tietsken emmermere

Ti Bardsangen te skriban ploenen

Mer das solks bestonden doenen

Hat ie ia voor overwaren

[-]

En ti Bande woizen leezen

[160] Ti nog overig haben werde

Minen dagen, binnen Hegmunde

Zolkes hab ic zo bevonden:

Alte bouken ons verkonden

Das ti Sales sint vertriven

[165] Ende baden om te bliven

Wonen onder Battenenwierden

Mer ein ander Tiel begierden

Der quaden Zund van Saksen teile

Wider ti Salers overpeile

[170] En ti Salers hadden gieren

Overmant te Battenewieren

En ti Landen ingehalden

Folkes ook vermaaken salden.

Dan zi wierden afgeweezen.

[175] 't Es geschiet niet lanch na desen

Dat ti Sicambrinen, Salen

En ti Usipers bi malen

Battenewiren en ti Friesen

Namen over Rijn te riesen

[180] Als si deeden met veel ander

De lijne volgede malkander

Tegen Roemen wilden zi striden

Des sy deden in ti tyden

Ende Franken zien by namen

[185] Land en en luden al te samen.

 

T es geschiet gelijk wij leeren

In t geboertenes ons Heeren

Daer omtrent of zo waarachtich

CCC LXXX VIII [= 388].

[190] Tot di Gaulen overgingen

Ende Franken naam ontfingen.

Dikke heeft et mij verwondert
Dat die Vorsten hoegvermondert

Van Frenkerike hier te Lande

[195] Hadden hoeg bestier in handen

En ik merket over dezen

Of si niet wol haben wezen

Vander Batenewieren bloede

t Sterke mij in dit vermoede

[200] t Wapenschild en rood Libere

Das sy voerden in den weere

Ende namaels overgeven

Haben weder onzen Greven

Miete gravelyke banden

[205] En bruin schilde van Vrieslande

Dar die grooten striet om ware

Eir zi hulden wolden here

Waen nemont word oic gelezen

Irrer Fursten, eirst gewezen

[210] Mer ti adel Waernemunde

Wonen huden unse grunden

Ende Kotewich men achte

Zie van Greve Gerolfs geslachte

Welkes sint daer nae in handen

[215] Krieg das Greefschip Tiesterbande

En zin ander oir bevonden

Wurt ein Greve op onsen gronden

In 't jaer ons Heeren gepresen

VIIIc end X by desen

[220] Als Koninck was sekerlijke

Kaerle de Groote van Frankrijke

Quamen ti Noren bi geleide

Van irren man Gottric, beide

Mit schioten CC, en onse veele

[225] Roefden Frieslant an drie deelen

Ende sloegen ti Friesen beide

Harde in drie staande strijden.

Kaerle hoerde solke maeren

Ende bereijde in te varen

[230] To wederstant, wanneer i hoerden

Datten zine luden vermoerde

Ruste Emmingen te bestriden.

Meremals tot anderen tiden

Deden di Noren groete skaden

[235] Onder Noric si bestraden

Uterichten en namen

Betenen wike te Duirsteden samen

Ludewic die goede heere

Als hi berichte, quamen weere

[240] Di Normannen opgevaren

De Wahl mit schaeren

Ende Nimagen zi wrooten.

Ban berose liet ti sloten

Mede maeken als wi hooren

[245] Di ti Noren deden ti storen.

Dagobert bestreet ti Friesen

Ende dade in verlizen

Den slagh mitten Bontawalden

Ende wat Friesen i behalden

[250] Langer als zin glavi, liten

Datelyc dat hoeft afsmiten,

Wiltenburch dede hy storen

En om t heiden diet bekoren

Dede in ein Kerke richten

[255] Van S. Thomas op ti trichten

Adgilt berichte ti Friesen

Ende na hem ti verrisen

Radebolt ti onse here

St. Wolfram wilde bekeren

[260] Ende lieten zo belopen

Offen wilde laten dopen

Mer wen i sien voete plonte

En ti ander in ti fonte

Zetten wolde, sprak i mijn

[265] Seg, mal weer mien Alteren zyn

In ti himmelim, of weder

In ti hel gevallen neder.

Wolfram antwoerde hem, das

Al wie ongekerstent was

[270] Storven, wisselijc verloren:

Wal sprac i ixc laets u horen

Das ic bi das meerder erven

Van minen alteren nae mien sterven

Dan wil wisen vrij van schanden

[275] In Wodins over zelig landen

Tan mit luttel arme Christen

Ti mi twintich nimmer wisten.

Uten fonten is hi togen,

En tum derden tach gedrogen

[280] Gravenwaerts om sien gesellen

Zien en spreken in der hellen.

Korts hier na sien wederkomen

Over zee die fel onvroome

Wreede Nooren ende roven

[285] Al dat land an zee gesonden

In tie havene van Hegmunde

Die de hegge plach te heeten

Eer dat bedehuis te weten

Daer in lange was gestichte

[290] Die nu after Dunen zwichte

End sunt to Nortika komen

Daer si tegen trak ti vromen

Greve Grolff en Tibbold agen

Rinesburge, daer zi lagen

[295] En te wan dat Noerze heere

Was te kraftich in tie were

En te li vel wurt e dragen

Bleven zi te beide slagen

Dat harde droeve was den goen.

[300] En ti heilige Jeroen

Greepen si en deden wilen

Groote pien, staken met pilen

In ti lyve, en bornden over zeere

En te spotten allen seere

[305] Onsen Heer ende Onthoven.

Zeelande zi oec beroven

Daer Greve Eggaert halpdams sone

Bleeve in ti weer die gone

Ti neden datten wederstoet

[310] Greve Gerolf was sy goed

Dat ti Noren onderwonden

Te beraden, wanze versonden

In gesantschepe nae den skine

Aan den Keijser Karele ende pyne

[315] Die en sond hiet Gotefriet

Ende onderwiel vertriet

t' Noertze volk met sine goeden

Hoe ik daer ave was te moede

Mach een yder proeven wale

[320] Wat holp in of veele talen

I ging zo den Noren ave

Ti en hadden gelooft veel gave

Konde i de vrede betraken

Das si kortelinge braken

[325] Ende namen daer toe das sine.

I adde verkregen mit groette pinen

Trouwe daden Ridder banden

Van Koninch Aarnout van Frankenlande

Mette zegelyn en brieven

[330] Sommige landen al hun liven

Die alt zamen waren sine

Zuder Schagen tussen Rine

Tussen ti Noert A en Ooester Sasson

Geiste land en holtgewasse

[335] Ein hoeve in Bodenladen Grave

En in Alpen bruuk twee haven

In Olthornunc eine hoeue

En in Huwy ein manse towe

Te tolen asleke een manse als vooren

[340] Met al watter toe mag hooren.

Te Franken waerde was 't gegeven

En met teiken onderschreven

Nae ons Heeren geboerte wegen

In t jaar VIII.c LXXX ende IX [889].

[345] Die wanneer i opter straten

Hadde in Fonerborg zien lief elaten

Was den Lande zonder Greve

ti ander Noeren bleven

Te Vleretelingen en vesten

[350] Tegen ti Frenken al haer besten:

Kinder ad i twee bi namen

Titeric en Walgeer samen

Beide jonge zonder tide

Ende onbequame te stride

[355] Ti irren moederes zuster anke

Namese to si onder ti Franken

Ende leerden se kerstijnheden

Ende Ridderlyke zeeden.

Deze Walgeer t' eener wrake

[360] Dede voer zin Vader smake

Erhanden ten Noerman ti doet

Die en utten zadel skoet

Op tie jachte onder t jagen

Ende wurt oic selve slagen.

[365] Zo dat Titeric alleine bleef

Ti innare worde Greef

Walgere is also gestorven

Ende Tensterbande bedorven,

Dat i hadde als Greve verkregen

[370] Daer nae ist eldirs beslegen.

Kaerle ti Simpel sekerlike

Di das sweert droege van Frenkryke

Om datter vele kwamen tie Noren

In Frieslant zine landen storen

[375] En ie beschermen niet ne mochte

Hi dus allerierst besochte

Titerike te geven in handen

Ti Bordaxe van ti landen

Datti beschermen zolde voirwair

[380] Zine luden al to gaer

In dat Kerstelyke gelove

Als him Gode van boven

Gepreket van Sint Williboert

Ti Pippijn alse hy hoert

[385] Zant, int borenes ons heeren

Ses honderd negentich en viere [694].

Ti Friesen Gode te doen kond

Totte Westcappelle hy vont

Ein Godze Wodin aenbeden

[390] Mercuriose nae heydenze zeden

Den i brac, onde terstont

Wurt i swarelike wond

Van ti Mercuriose wagten

Efter preekte hy mit krachte

[395] Oestwaert onsen Heere te recht

En te quam al to Uterecht

Storen die Gotten onverholen

Alsse Paus Serges hadde bevolen

Ti en Aertsbiscop heeft ewejed

[400] t Utrechten i liet

Zynen stoel ende bekeeren

Vele luden te onsen Heere,

Angels uten Neer Saxen was

Van Northum-berlanden das

[405] Ons tie Schreften laten horen

Sinte Willeboerd geboren

Ende preekte si te mael

Gode in tie Friese tael.

 

 

 

Nu keren wi weder gelike

[410] Totten Greve Titerike

Das Greefschap Hollant gelagen
Unde bericht unse dagen

Billike unde na wens

Adel heere Greve Florens

[415] Is ein stik van Friesland voren

Gewesen, alse wi horen

Woe ti Friesen, Anclen en

Saxen mette Allemangen

Verhiven over in Bretangen

[420] Dus tie in ti landen bleven

Was de naame Friesen geven

Sus die altesten in recht

Unde fane Franken gestecht

Mitter groeter Mogenthede.

[425] Friese was bekant van zede,

Greva Gerolf uut wi geliek

Namaels heeft Titerick

Das swaert geheven als regter oire

Di wrede Noren te stoire

[430] Als hi dede ende kreeg

Brieven ti ic ni en sweeg

Fan Karel ti Simpel mede.

"Inder drivoudigheden

"Name Kaerle Konink geliek

[435] "Van Oest ende West-Frencriek.

"Als billick is en wy verstonden

"Onsen lieven op onsen gronden

"Tegen alle uutheims gewald

"Te beschouden, dus zi gestald

[440] "Al by onser Mogenthede

"Mit volle magt ane te leden

"Ende ave na behoren

"Zo dat was hier te voren

"In sin Graefschepe bekend

[445] "Ende over daer omtrent

"Onsen getrouwen Tiderike

"Dat i daer af geven blike

"Ende elk hem volge heden

"Met desen brieve na Kersten zeden

[450] "Dies gaven wy hem dat gebiet

"Na goet ende ripe beliet,

"Over landen ende luden.

"Als hier neven wi beduden

"Ti hem eigen ne waren niet al

[455] "Voortan zint by dat geval

"Groelicke wy bevesten

"Over ti nakommers te leste

"Hem en de sine an t oud gebied

"Van al wat hem eygen hiet

[460] "Dat hem God starke daer boven

"Over het Kersten gelove

"Voer te staen al mit macht

"Jegens dat heidens Diets kracht

"En gewald, en ave treken

[465] "Van Kerstens die trouwe breken:

"Dus geven wi hem daer vrank

"Das swaert over, bread en lank

"Te gebieden allen kanten

"(Uutgenomen eenige Landen

[470] "Ti onsen stamme eygen sent

"Daer en die breuke of word gegunt

"En di tienden te heffen mede,

"Dese bliven ons ter stede

"Met horen rechten bewaert als voor

[475] "Datter niet ave ga te loor)

"T Land dat hi sal berigten

"Oestwairts bepaeld na ti Trigte

"Tot zuut hardes hage

"Bij Bodenlodengrave gelage

[480] "Daer sijn Vaders Greefschepe gelag

"Als 't was op desen dach

"Tot t' Weste by Katiks ende,

"Zuetwers Fortrape belende

"Ende Noirtwers zy t and

[485] "Daer men die beke Kinheim vand

"Aldus gedaen ziende op heden

"Willen wi dat om si vrede

"Van iegelike in sijn bezit.

"Ende die en jegens stit

[490] "Datmen hem ave doet rumen

"Ofte straffen na der Costume

"Daer die mesdaet gelegen es

"In t jaer der geborenes

"Ons Heeren hoeig verwondert

[495] "Vut einer Maget negen hondert

"Ende XXII [922] bat

"Gegeven tot Aken in die stat

"Oppe Paesavond ten leste

"Met onsen vingerlink beveste.

[500] Dese Koninc Kaerle goet

Gaf namaels metter spoet

Tot Bladelle in den jare

Negen honderd overware,

Ende drie en twintich [923] bat

[505] De reste van dat hi besat

Al in Titerics mogenthede

Tot een eygen erfachtichede

Hier voren geroert in vrede

Over bede van Greve Hagen

[510] Die kerke to Egmund gelagen

Al met dat geestelik gebiet

Dat jegens Fortrapa stiet

Ende Kinheim alsmen siet.

Bedi heeft i oic verkregen

[515] Ein gifte te eender wege

Jegens syn wive Hildegaert

Tie en Aernout heeft gebaert

Te Gante, in hore Mogenthede

Dat sy voegen zoude mede

[520] Wasda dat foreest

In haer mogenthede t meest

Aen syn Graafschepe alsvoren

Met al wat er toe mach horen

Dit gaf en Lowies met min

[525] Doer syn wyf Emme tie Koningin.

In zin tide wiert evonnen

Dat lyk Aelbrechts van eine Nonne

Datmen verdroech te Egmont

Ik moet ti seggen goed vond

[530] Datte de jesten ons ontbreken

Om dudelike te spreken

Van vele dingen als ic wil:

Dus zo bid ic alle stil

Dat men mi quite of iks fale

[535] Ofte argens inne dwale

Want ik slegtelike seggen sal

'T Ware dat ic vinde al.

In dese Titericks tyden

Waren vele Wychen ende striden

[540] Metten Friesen, ti ne dulden

Woude nogte billic hulden,

Tog zi worden wale gedwongen

Da ze iem over Heere ontfongen.

Sinte Jeroens gedenkenis

[545] Oik van dese Tiedric es

Van Nortika to Hegmund gedragen

Daer i nog ligt zinderlage

Ende het holte kloister daer

Dat ontdede hy voorewaer

[550] Ende richte het weder van steene

Die Nonnen oic soude ik meenen

Heefte hi mede onverlet

Over to Binnebruk geset

Ende setten in wat vorder

[555] Tie van Benedictus order

Ende gaff te Monnicken goet.

Jeften vele in overvloet.

Zin wive Hildegaert mede

Gaff in veele dingen met rede

[560] Tafel schoene sonder joek

En siere Evangelien Boek

Vol adel steinen en goude

Das si nog in eeren houden

Egbert irren zoene fier

[565] Tie Aartsbiscop van Trier

In Bretangen van ir geboren

Gaf den Godshuse te voren

Gemeldet, mede goeden veel

Als oic syn sustere eel

[570] Arlinde scank en misgewade

Kostelyke en van stade

Ende was als ic hou gewis

To Binnebruke de ierste Abtis

Titeric verworf oik mede

[575] Overmits Theofanen bede

Van Conink Otten, en zin Zoen

Egbert te biscop schoen

En te Otten neve Henrik van Baren

Hertoge hoge overware

[580] In vraien eygendoeme, wat

I van iem te lien bezat

Tusken tie wateren Langir ora

En ti Iesle overware

Dat holtgewas en lande trou

[585] Mit ti hoeve Sonnemaer gou.

En watter tusken ti ade lage

Van Medenblek en Marken tagen

Geneloos aer, en al das

Jem tot Texela eygen was

[590] (Wtgeseit dat Huuslade ten degen)

En dat in Kinheym is gelegen

Ende in Maesland gaf i em

Met al wat er hoert an hem.

Dese Titeric voirscreve

[595] Is gevaren ten lange leven

Tot Hegmund daer i fier uutvaert

Twee jaren nae Hildegaert

Isse gelegt en begraven

God heeft bider de zielen ave

[600] Want i storf 't jaer waeragtig

IXc en LXXXIX. [989]

So dat i berichte voirwair

Omtrent LXVII jaer.

 

 

 

Arenout ti twede Greve

[605] Synen Soene is gebleven

An 't bestier, ti men voirwair

Nennet Arnout ti Gantenaer

Want i van sin moederes wegen

Ti burgscape hade verkregen

[610] Voir Egebert sin alve broer

Ti na Trier as biscop voer.

I aefte bi sin vaderes leven

Ende jem wurt ten wive geven

Ti dogtere van ti Keyser Faen

[615] Grieken de kleine Romaen

Genant Luytgaert zeer schoene

Ende doegdelyc van persoene

Waer an i wan mit 'er vaert

Titerik ende Sivaert

[620] Sicke genanet ti ir nare

Jem doet sloeg doer vare

Toeg i na Kastrichem, daer i

Fane Goswin uut Frieslant, bli

Wirdt gehalden ende ontfaen

[625] Waer ute is ontstaen

Doer praten ende wyven trien

Ofte andere toverien

Datti Tietburge nam te wijve.

Zin broeder wilden ontliven

[630] Opt laetste wurt et gedaingt

En te i van Kanemerlaingt

En Frieslant gehult overware

Jegens sin broeder openbare

Tese Sivaert krege ien Soen

[635] Titeric genant schoen

Uut Tietburge tie nae desen

Van Breaderhoede iest gewesen

Die ierste Baroen in Zevenburg

En Godefried van Lutselburg

[640] Toe nu Arenout als Greva

T swaert hadde opgeheven

In sin Vaders plaets overwaer

En te i fan te Friesen slaen

Ta Zudermuda wilde gangen

[645] Na kastuime 't schilt ontfangen

Spraken si overluut,

Ze ne wilden van im gebruut

Niet sien, nogte iem hulden

Nogte sine dwank gedulden

[650] Ier toe gaf im himlic regt

Zo t' skeen ti Biscop t' Uutrecht

Egter trok i de hant daer ave.

Mar ti Friesen ze ne gaven

Daer omme te mende niet.

[655] Des hem Aerenout onthiet.

Ende trak se te Winkelma tegen

Daer wort fel eslegen

En ti Friesen hi deden 't pad

Hier bleef verslagen dat

[660] Zy s gewis, tie jonge Heere

Met den sinen in ti were

Als i vijf jaer had berigt

Zyne kinders waren ligt

D' oudste twaalf jaren gewesen.

[665] Dus was t' land alomme in vresen

Zin wive starf kort na iem

Van droefheid des geloeven wi hem

Ente is tot Hegmund begraven.

Verders vind ik nie daer ave.

 

TITERIK de III.de Graaf.

 

[670] Tideric volgde iem toe dan

Int berigt, ien stout man

Alsse gy sult kurts hoeren

Tie darde Greva geboeren

Aernouts outste soene, tie

[675] Te riese Friesen al so nie

Wilten ontfaen wie sin Fader

Dus liet i se te gader

Ien pais, dat se sik boraen

Weder im hulden wouden of slaen.

[680] Tie Friesen na ripen raden

En te vresen voir scaden

En wrake voir des Grevan doit

Haben Titericke geboit

Se wolden ien hulden op condise
[685] Dat i ze die ierste prise

En pine schelden zolden kwiet

Nenne gedenken to ginder tiet

Jegens te leit iem wedervaren

Jefte zin vader over dem haren

[690] Dat ze de Tienden gaven vri

An den Greva, en dat i

Ze selve zoude laten garen

Ofte vermangelen zonder swaren

Na sin wille en geer

[695] En te watter toe hoirt mer.

En te op hoir costen varen

Jegens ziner viants scaren

(Dat em wale quam daer na)

Sus gaf i ze zyne gena

[700] En 't wordt gedaingt: hier nare

Isset em wedervaren

Das ti Biscop van Trigt, Luyka

En te van Trier, to gebruika

Van der jacht en Visserijen

[705] Namen in als eigen mitsdien

Het holt Mereweda te male

Daer die Mase en Walhe

Jem vermangen tier stont.

Dit was Dietrics gront

[710] Des i sik opmaekte en werpen

Daer op ien veste en Terpe.

En nanden t Doer Trigt.

Dat mer boet hive op ligt

En sware mangeling of vragte

[715] Ti bi dage of nagte

Die Ade oppe of neder vaer

Dit namt ti Biscop swaer

Van Trichte en klaegdent ti Keyser

Henrike ofte ien weiser

[720] Zinde onrecht adde gedaen

Ti Keyser op solk vermaen

Jeft en getroest en geboden

Aen Hertoge Godenfroden

Van Ardenne sidenvaert

[725] Te beschrijven in t Betauwer waert

En te van Nimagen te faren

Tot Alleblas mit zyn scharen

En ti Greva opte te slaen

Tieterik ieftet verstaen

[730] En trok mette Vrisen oppe.

En te besatten en stoppen

Ti Gyzenbrogge des man

Kwame opt water an

Mit skuten by nacht zonder skiten

[735] Jefte roepen, dat mag mi spiten

Sprac ti Greva das si 't ontgaen

Zin sus sinne slaen.

Maer sprac i tot ti Friesen weder

Mannen in trouwen gift u neder

[740] In die lage opt lest

Ier zi vaste sin gevest

En greep ane met fellen moede

Voerseker ik sta u goede

Alse gi treft voren ane

[745] In ti side wol ic se slane

Wes sonder angste of vare

Hoewel zy vele schaeren

Zint enne onser korte getal

Ane Godes hant hangt al

[750] Dus haben de Vriesen begonnen

Ende worpen die tonnen

Ave in ti Morgenraet.

Ti wych word harde en quaet

In ti moen en ti Grave

[755] Trof toe dus gaven

Di viants sik in t wet

Ein stem riep: Vliet, Vliet

Men ne weet van waer t' luit is komen

Daer liep ti Haertoch ter stroomen-

[760] Waerts en elc volgde iem naer

Dat krygen wort fel en swaer

Tussen ti Baxen en scuten

Opt lant en daer buten

Vil menien man ti Biscop
[765] Kumth cume met kleyne trop

In ein schep en ist ontlopen

Tegen zin wanen en hope

En is bi di zine gestelt

Dus hield Greva Tierik dat velt

[770] Met grooten bute en blif houwen

Meneweda, Alleblas, en ti gouwen

En stroomen in syn gewout.

Ti Hertoge wort quite schout

Al utten vangenesse

[775] Alse het wurde in daingenesse

Gebragt ende Tiederick

Oefte ien wyve scoen en ryc

Ti Othilt hite by name

Taer i namaels ave bequame

[780] Titeric en te Florens.

Sindort krege hy dat gepens

Dat i woude varen mit eeren

Tot das helig graf ons Heeren

Ti ierste Greva di dat bestoet

[785] Ente alse hi weder goet

Was gekamen bi den zinen

Bedagte hy tesen pine

Te gevan ane Sint Alebrecht

Tot Hegmunde te regt

[790] Veele dingen ter stede

Alsse sin broeder Sikke mede

Dade en starf en legget terstont

Met sine wive al tot Hegmond

Na ien hielt Tidrik weder

[795] Kenhemare en vil neder

In kranchede alse hi

In ruste dat lant bli

Langen tide had beregte

Over herren en over knegte

[800] Ic heb verstaen al voirwaer

Dat hy stierde XLVI jaer

Ende legget mede t Agmund

Sinderlage. Ik seg sint

 

TIEDRICK de IV.de Graaf.

 

Is in t berigte gevaren

[805] Zin kint Tiedrik overwaere

Ti ni lange Greva bleef

Want so alse men screef

M. XLVIII [1048] ons Heeren

Jare, zo rees die veete were
[810] Tussen di Keysere en zin trien

Jegens ti jagte en visserien

Ti stonden bi sin vaders tijden

Ti Keizer quam af, to striden

Omtrent Paesen al in dat Tricht

[815] Ente bi ien quam, niet ligt

Ti Markgreva fan Braban

Al mit menig stoute man

Zi kamen ave te skepe

Na Fleretelingen slepen

[820] Daer ti Greva Tierik was.

Ik moete u sagen das

Ti Biscop Wase had groeten vaer

Als iet wale bliek daer naer

Zin volk te ledene ter heervaert

[825] Hi bleef after in tie staert

Ende wurde alsus te moe

Dat hy blotelicke sag toe

Hoe tie wych slde vergaen

Ti Keysere ginck beslaen

[830] Zyn heere alom den Doer-trigt

En wan tie Vesten nie ligt

Ente trak ave te Fleretelingen

Greva Tidrick kwame bespringen

Met ligte skuten groet getal;

[835] Ti grove schepen ni smal

Volgde nare metter ebbe.

Twi stiter jegen die grebbe

Ende sat vaste int murch

Ti dage wurt Kenenburg

[840] En Fleretelingen alle verrast

Mare alsse het watere vast

Woes en ti jongen Greva

Ane kwam, en daer ave

Ten diek schilicker doerbrack

[845] Dien ter halverwegen stak

Zat Keyser Henriks heere

Al om blank in dat meere

Ti Keyser selve liep gevaer

Sus kon i ja daer en naer

[850] Verdere niewers nie geraken

En moeste de togt staken

Onverrigt en kerene wedere

Greve Tierik zinde das heere

Breken en ti geweren swanken

[855] Al in roere en datte planken

Ontbraken vil met menie boet

Op tie schepen en nam ze daer stoet

Ti mogende Keysere begrepen

Van wenige Frisen, zonder schepen

[860] Int slyke en trak ave.

Daer vil tie jonge Grave

Metten sinen in ti staert.

t Heer worde te barentaert

En ontdane wo vil daer bliven

[865] Zolen wie ja ni ligt skriven

Ti Keysere selves kwam

Kume daer ave t' Utrecht gram

Op Biscop Wasse tier stonden

Ente dwongen CCC ponden

[870] Zilvers ave ware het regt.

Grave Tierik trak regt

Op den Doertregt ane en wanze

Daer begaffen de kanse

Dat tie Hertoge van Braban

[875] Van ten sinen himle zan

t 'Oertrigt ane den boem, datze

Ti adel Greva Tierick verratse

Als mit ien vernynede strael

T is gesciet als ik verhael

[880] Dat i starff vane dat hinder

Sonder wyve sonder kinder

Alsus opten Doertricht

Negen jaeren jeft i berigt

Zin Broeder Florens volgede mede

[885] Alsse regt was in sin stede.

 

FLORENS de V.de Graaf

 

Dese Florens ti viefde Grave

Nae s broeders doed, segge ik aefe

Dat i huwede ten wyve

Adeleke persoen van live

[890] Hareman van Saxen Hertoge

Kind daer i ave kreeg

Ien Soen en Dogtere van deeg

Tie ane ti Kroen van Franken

Hilickede namaels hogen

[895] Hi gaf mede veele in danken

Den Godshuse t'Agmund

Over ziender wyven gunt

Tie Geretruden hete by name

t' Is iem overkamen

[900] Dat ti Hartoge van Braban

Ti Biskop van Keulne on

Ti Heare van Kuick mede

Utes Keysers name strede

Op Grave Florens omdat

[905] I in syn gewout besat

Ente als zin vorders hieven

Het trigt op ti Merwa griven

In doer groete lasten swaer,

Dus togen sy op aldaer

[910] Mare worden tegen wille

Ontdaen, daer sat stille

Ti Biscop al van Wtrigt

En te ne darve sik in den twigt

Steken uut angste en vare

[915] Florensse mare

Ging over alle dat land

Zo dat sine felle viand

In gien poert peinsde seker wesen.

T es gesciet alse wi lesen

[920] Op ienen dach dat i sloeg

By Hamert vreselyke genoeg

Tusken ti Maze en Wahle

Ente gink mat onder ien boem

Liggen to ruste tot en droem

[925] Aldaer kwamen ane gereden

Ti Heeren van Kuuk in zijn geleden

Tie en verraste en sloeg en doet

Dat was ja jammere groet

Voer hem en ti metten bleven.

[930] Dus voer i ten langen leven

Ende begraven tot Hegmunt

Alle t land sting over unt.

Dit heeft sik alzo vervaren,

Als men schreef Goets geboerte jaren

[935] M. LX ende ien [1061]

Alsse hy der jaeren dertien,

Holland hadde berigt als Greve

Zyn wive Geertruut is bleven

Aen t bestier jegen hair kroist,

[940] Ende want zi beloefde troist

Ende helpe diese stuwde

Ist beslagen dat sy huwde

Die oudste soene van Boudijn

Vanne Vlaender dat i sou syn

[945] Voegd jegen ten jongen Grave

Daer oic tese Robregt ave

Den name Robrecht ti Vriese behalt

Want voir Godevairt metten balt

Hietmen van Frieslant Grave

[950] Ende dit kwam hem dus daer ave

Hi hadde als Voegt het land bestelt

Achte jaeren tog met gewelt

Die gebochalde Govairt heenen

Op Hollant zoude ik meenen

[955] Toeg met grooten heer

Biskop Willem in ti weer

Van Verigten halpen mede.

Robregt moest ruimen ti stede

Ente trak na Vlaenderlant

[960] Dat hy krege als Grave in hant

Deze builtrugde Govaert

Prante regte voer sin paert

Op Holland om dat vore lange

Zyne Voerder ti gevangen

[965] Hertoge Godefrooi van Arden

Wien Tierick ti darde pren

In den slag van Henrike

De Keysere toen zikke

Volgens onregte breven gewan

[970] Sommige dingen als 's Vorsten man.

De i met Biskop Willem hive

Van ti Keysere als syn live

Zy verworven beyde te hant

Jegens Geertrude al Hollant

[975] Onder hen beyden te schikken samen.

Zy mogten s hun billijke schamen

Zolken aterlyke bestaan

Het isse Biscop Willem vergaan

Alsmen segt want i onder

[980] Godevaert halp bizonder

Holland dat i vire jaer besat

Met gewalt, als menic pat

Opten Oest vriesen had begangen

Scade gedaan en ontfangen

[985] Dat i als alle tyrannen ploen

Niet ondere voer zonder bloen

Zittende op een himmelikhede

Tot Delft wiert i beneden

In sine fondamante getreft

[990] Van Tiriks knape Gyselbregt

Ente lieten t' Wtregte dragen

Daer i starff mit felle plagen

Ente willem kort na iem

Ondervoer, dus hoerden wi hem

[995] Tot nog was Holland zonder zyne

Heere dat en dede pyne.

 

TIETERIK de VI.de Graaf.

 

Titerik die sessede Grave

Ti uut zynen Vaders have

Van Godefaert ti Billioen

[1000] Was gedreven is die goen

Ti mit zynes stiefvaders magte

En der magen hulpe tragte

Nae zyne erfachticheyd stout

Biskop Willem had gebout

[1005] Een vaste burge t Iselmonde.

Dare toe Coenraed tier stonde

Oppe was dit ieft verstaen

Grevan Tierick en gink en beslaen

Alomme en trac sine schepen

[1010] Tegen opt Mereweda daer grepen

Zy mit fortse ien ander an

Dieterick wast ti de wyge wan

Ente stormede opt Slot

Ende schoter oppe tot

[1015] Iet in den brande rogte.

Dair halp gien water dat ze brogte.

Ti knegten het moest ane den grond

Biscop Coenraed wurde gewond

En gevaen zoo men mi zeijde,

[1020] Tien Greva korts los leyde

Dus gewan hij mit mogender hant

De zegen en trak int lant.

Hy beregte dat lant in vrede

Vyftien jaeren ente nam mede

[1025] Een Vrouw ti hiete Othilt

Ente wan alse gy weten wilt

Ein kint Florens in zinder steden

Hij hevet begiftet mede

Dat Godshuys t Egmund aldaer,

[1030] Starff in ons Heeren jaer

MCX [= MXC] en iene [1091] mit vrede

Legget daer oik zinder stede.

 

FLORENS de VII.de Graaf.

 

Na iem quam ane dat bestier

Ti zevende Greva getelt alhier

[1035] Florens ti te bovene gink

Zyne vaders in menien dink

Den Oeften ane Vrou Peternellen

Tidrix dogtere als wy vertellen

Van Saxen wes broder Lotair

[1040] Wurde Keysere te Romen voirwair

By desen wyve iefti verkregen

Twie sonen by Godes wegen

Die men Diderik en Florens hiet

T es geboert alse men siet

[1045] Dat ty Greva gink wt jagen

In dat holt van Kriele daer zagen

Zyne knapen ter selver sta

Ti knapen van Galama,

En tie benamen en drie honden

[1050] Alse dat Galama ieft bevonden

Sprek met dollen en arren moede

Dit geve my God daer toe

Moet ik ten Grave en hi min schade

En hoen niet beteren wil ter stade

[1055] Zoe ik ein vrye Friese ben

Zal t en vergolden zoo bat ik ken.

T es geschiet na corte tyden

Dat ty Greva kwam ryden

Ter jagt zoe hy te voren plag

[1060] Galama was dair i t zag

En spraken en ane in arren moede

Onbeskoft diu sulst vergoeden

Heare Greva en te beteren mien scha

Ti Greve sprak als ik versta

[1065] Datty behoerde met beatter eere*

Te gemoeten zin lands heare*

Ente terwijlen i nog sprak

In dier voegene, zo trak

Ti reyse Galama zin gewere

[1070] En ieft den Greva toe gevoren

Ente quetsten in den arm

Die knape schoet toe mit gekarm

En tie ieft Galama doorgraven

Dat i nedervil daer ave

[1075] Ente ti bi im woren zien

Cume ontlopen met grooter pien

Dit es gesciet alse wy leeren

In t incarnation ons Heeren

XIc. en XII. jaer. [1112]

[1080] I verbeterede voirwaer

Dat Godshuise t 'Hegmunde,

Ente gaf en als wy vermunden

Jeften vele tier stond

Ente storff als wy doen kont

[1085] In zinder joget ons Heeren

Jare XIc. en twint meere

Jaren en twie [1122] alsmen mi segt

Dat i toe Agmunde legt

Peternelle zyn wyve es bleven

[1090] Houden voer haer en dare neven

Ire kinderen in hant

Dat berigte over Hollant

Ende gaff vele metter ile

Den Godshuse, voer hare mans siele,

[1095] Den zy te Rinsborg hadde gerigt,

Twaelf jaeren alsemen ligt

Bevant nae irre mans sneven [1134]

Haer Broeder ieft zy geheven

Met er halpen al tot ti kroen

[1100] Ente hadde te voren schoen

Den Keysrs dwanck wederstanden

En in stade gestaen den Lande

Ente starff ave overwaer

XIc en XLIII jaer

[1105] Ende laget te Rinsborg begraven.

Date zy vele gaven

In hore tiden ane gaf

Verder vinden wi ni daer af.


TIDERIK de VIII.ste Graaf.

 

Tiderik kwam an den berigte

[1110] Na sinen Vader als ti geschichten

Ons seggen vanne desen tied.

Daer rees grooten stried

Tusken ti Vriesen en den Grave

Oppe dat yse daer begaven

[1115] Ti Friesen sik nae Allekemaer

Ente vloeden were van daer

Over des Graven gewald en heere

Daer bornede men sere

t' Allen lanse dat jammere was

[1120] s Graven broeder zyt s zekers das

Ti ter eeren was genegen

Florens genant, had ter degen

Gonste over alle genoech

Des hy fire mit ongevoeg

[1125] Moedere en Brieder bragt in aren

Moede. des hi en spoede voirwaren

Al nae Vrieslant bi ongedult,

Daer wurt i over Heere gehult

Ente barnede Allekemare

[1130] Ti verpinede Kenemare

Mosten ien hulden zi wilden of niet

En ti bornede alsmen siet

Alse te Haerleme komen waren

s' Heeren huzen, dat en sware

[1135] Bekam, want Tiederik

Viel oppen ende nam riek

En arme in zinder gewoude.

Als dit Keyser Lothair bescoude

Zant i ti en met jonste en magt

[1140] Den gebroeders daer toe bragt

Zoo das zy den paise betraken.

Tese Florens van wi maeken

Ons woort, alse gy hoirt

Is korte om ien wief vermoirt

[1145] Van ti Heare van Cuuk te Trigte

Ente Aerensberge ti stigte

Zolk verraet daer hy storf af

Te Rinesborge ligt hy in t graf

Ente ti moerders mosten lange

[1150] Zint ballink dat ien vil bange.

Dese Tiedrick vinde ik af

Dat i tot ons Heeren graf

Mit groeter geere is gevaeren

Als men onses Heeren jaeren

[1155] XIc. en XL [1140] schreef.

Van den Paus hy verworven heef

Vry brieven ter selver stonden

Den Rinsborge en Hegmonde.

Hadde ien wyve ti Sofie hiet

[1160] Ti was als men beschreven siet

s' Pal greven Dogtere van Rine.

Daer nae gevil ti pine

Tussen ti Biscop al t' Utrigt

En ti Greva, datte men stigt

[1165] Roef en struet beydene anne

Herebregt dreygden metten banne

Ende dwank en met oetmoet

Date wulle en barevoet

Di vane ane bidden kwame.

[1170] Int geborenes Gods by name

XIc. LV. jaer [1155]

Wast ien felle krieg voorwaer

Daer ti Friesen den Kennemaren

Mit roef en bornen zeer beswaren.

[1175] En ti vane Okstorp en

Harelehem kwam bi hem

T eynden wych dus vielen ti Vriesen

Ente moesten ter loep verliesen

Negen hondert en twinti man bat

[1180] Di dare bleven op si stat.

Dese Greva ies in vrede

Gerustet, en ligget ter stede

T Hegmund begreven als i voorwaer

Hadde berigt XLV jaer

[1185] Toe men schreef int geborenes

Onses Heeren XIc. LVI. [1156]

 

Hier laten wy tesen tiden bliven

Vane de Grevan bat to scriven

Ente willen van Grave FLORENS

[1190] Hire naere ien groet gepens

Onderwinden te verhaelen

Dit habe ik willen vertalen

Omme t' oeffenen dennen sin

Der luden ti mi met min

[1195] Dikke t' oircont te weten baden.

Batet ni ten zal ien ni schaden,

Dat ze der jesten hervarene zyn

Bid om Gode voer KLAIS KOLYN.

 

Escriptum est per manum Nicolai Colini, in Hegmont

 

************************************************************

ALKEMADE (ROTTERDAM)

 

Rijm-Kronijk van ouds genaamt, Het Geschigte Historiaal-rijm der eerste Graaven van Holland, van Broeder Klaas Kolyn, Monnik van Egmond, geschreeven omtrent het jaar M.C.LXX. met noodige Aan-teekeningen en Uit-leggingen verrijkt door Corn. Van Alkemade

 

 

 

 

 

 

 

[1] s Lants geschichten wil ix oirconden

Zo ix heb geschriban vonden

In den Kloester to Hegmunden

Zo bis t' ons die bouken gunden

[5] Die daer zien van alden tiden

Kortelix van vele striden

Godinghen der Greven vele

Hou ir t arre quamp ten dele

Zonder aterlicke streken,

[10] Ofte metter pluim te spreken

(Wen Godt betere vele beleggen,)

Enkel waeraft wil ix zeggen,

Ofte laeten zoe ix vonde.

 

t' Is gebeurt als ix oirconde

[15] Over menig hondert jaeren

Toe de Neder-Gouwen waeren

Van den watere overloopen,

En ne mensken rote te hopen

Gaulen en Spangen ave te loopen

[20] Enne der Kimper groet getale

Solkes weet men harde wale

Waren to miten doet geslagen,

Zo das ir arven lege lagen

Uut der Hassen uure geburen

[25] Serpsten und te Irmundduren,

Al met krafte overspanden

Adel batten uten landen

Te verdryven metten wapen:

By rade der bande Papen

[30] Ende Godeschalken wapen:

Met die aldel batte scharen

Die ne rade dese wiken

Die wy besitten te bestriken

Zonder slag, wan zi ne wisten

[35] Daer ne woonden ni dan ti visten.

Al dat lant was leeg gelagen.

Dus bezonden zi di t' zagen:

Het gevil tot haren hepen

Dus togen zi af met skepen,

[40] Mannen have, vee, tien tiden

En begrepen zonder striden

Mitte kinderen ende Vrouwen

Tussen Rien en Wahl tie gouwen

Wied en breid als ix verhale.

45] Vele Greven zonder fale

Haben t' lant bericht tie minne

Skriben mochte ix ne kinne

Wanen zi gestorven waren

Ofte an s Lants bericht gevaren

[50] Want tie Runers ir ontbraken

Tie woizen skriban irrer zaken.

Onder allen die geweze

Haben Greven, vin ix dese,

Waremir, wis t' ochter Rhijnen

[55] Aafte Sitsen hag van Thijnen

Der Serbosten: zondere mere.

Wonder is by dese kere

Das geen Runers ons oirconden

Van den Steden di zy vonden

[60] Of zy mosten nie gewezen

Haben dese keer mit ezen.

Terpen vind ix harde wale

Tie ix op ir stat verhale.

Katenwald die metten eizer

[65] Van Romen Gillis eirste Keyser

Maekte daingh over landen

Ende gaven' er toe tie handen

Zo als t' lang gebleven ware

Zonder schot of lot te garen:

[70] Das geen ander lant mocht beuren,

Want zy Broeders hieten heuren.

Jillis ziwers Bouwens zone

En wes Broeder van ti gone

Die genent als adel grave

[75] Warp den Roemsen Arent ave

En den roden Libert plante:

Franke maekte t' allen kanten

Tese Skevel-haer tie gouwen

Wes ke sworen had i trouwen

Over Alben hi ze slachte.

[80] Ont verdraf mit groter krachte

Onder helpe Trier en Gallen

Tie voir zynen Libert vallen.

Tot i zelve wurt geslagen

To Furstenberg en over Nimagen

[85] Lite Batenborge bornen

En ten battenwaerde tornen

Over stroem, zo dat te male

Op tie brugge van de nau Wale

Wurt gedaiget van den Peyse

[90] Wair hy starf, en op wat weyse,

Adel greve Glaude Schevelen;

Vint ix ni in genen delen.

In zyn tyde, hier te voren

Was een Adel wel te boren

[95] Her, wes name vind ix zoo

Das hy heete Brinio,

Die mit zyne krieg gebarden

Inde Kattenewiker warde

Twe Romeyne Blokhuzen slegte

[100] En twe wygen wan mit vegten

Ti man waent dat haben mit ezen

Brit en Romenborge gewezen.

Daer ti Barden garven waren

Hoe den landen es gevaren

[105] Na den val des Roemsen Rike

En vant geen men zekerlike

Weet, des heb ic mi veraren:

Ander beuzelike maren

Ti di onbedreve luden

[110] Zonder afterdocht verluden

Is mi ni om waert te skriven:

Des zo laet ix zelve bliven.

t' Es geschiet als ix bevonde

Mer de tyt ne vinden konde

[115] Das de Englen und de Saxen

Mit gewaren end bardaxen

Mitte baxen ende vloten

Haben uitten lande stooten

d' Inzater vande Britten

[120] Welckes Heirtog was gehitten

Haren Engist ende Horse

Die gelik een euvel orse

Al ti Brittense serjanten

[-]

Tar mede tot irren onvromen

[125] De Sund ten Rine inkomen

Unde slopen huus en have:

Wider vind ix ni dar ave

Dan das zi vor tegenwaren

Haben in Gaulen af ke varen

[130] t' Lant das zi na irren namen

Hiten Bretangen al te zamen.

Eer ti Saxen overquamen

In Brittangen angespanen

Unde vertriben vande Normannen

[135] Gaen de landen die gelagen

Tussen Maer Zee ende Nimagen

Rien en Maze en Torp Assen

Al die Goyen heten Neersassen

Tot zi van ti wilde Vrisen

[140] Harde geklopt na wych verlizen

Wiltenburg haben begeven

Ende zund over Ade vertreven.

Zo das t' lant hi al te samen

Namaels hite Frieslant bi namen

[145] Hoe den aar der Batenenwieren

Es zo barelik vertiren

Es mi niet bekant bi namen

Wan ti swindel onbequamen

Ti de lande overlopen

[150] Mette krieg en woeste hopen

Schinen, bannen, en dor roven

Alle kunsten gaen verdoven.

Vele haben twyffelt zere

Of ti Tietsen emmermere

[155] Ti Bardzangen te skrivan ploenen:

Mer das zolkes bestonden doenen

Hat ix ja voor overwaren

[-] 

En ti Barden woiren lezen

Ti nog ovrig haben wezen

[160] Minen dagen binnen Hegmonden

Zolkes heb ix zo bevonden:

Alte boeken ons verkonden

Das ti Sales sint vertriben

Ende baden om te bliven

[165] Wonen onder Battenenwierden

Mer ein ander tiel begierden

Der Quaden zund van Saksen teile

Wider ti Salers overpeilen

En tie Salers hadden gieren

[170] Overmaat die Battenewieren

En in landen ingeholden

Solkes oek vermanken solden.

Dan zy wierden ab gewezen.

T' es geschiet niet lang na dezen

[175] Dat ti Sicambrinen Salen

En ti Usipers bi malen

Battenewiren en ti Frizen

Namen over Rhien te riezen

Als zi deden met veel ander

[180] De eyne volgede malkander

Tegen Roemen wilden zi striden

Des si deden in die tiden

Ende Franke zien bi namen

Lant en luden al te zamen.

 

[185] T' es geschiet, gelijk wy leren

In 't geboerenes ons Heren

Daer omtrent of zo warachtich
CCC.LXXX.VIII [388].

Tot die Gaulen overgingen

[190] Ende Franken naam ontfingen.

Dicke heeft' et mi verwondert

Dat die Vorsten hoogvermondert

Van Frenkericke hier te lande

Hadden hoeg bestier in handen

[195] En ix merket over dezen

Of zi niet wol haben wezen

Van der Batenewieren bloede

t' Sterke mi in dit vermoeden

t' Wapen-schilt en rood libere

[200] Das zi voerden inden were

Ende naemaels overgeven

Haben weder onsen Greven

Mitte grevelike banden

En brun schilde van Vrieslande

[205] Dar dik groten striet om ware

Eir zy hulden wolden haren.

Waernemond word oek gelezen

Irrer Fursten, eirst gewezen

Mer ti adel Waernemunde

[210] Wonen huden onze grunden

Ende Clotewich men achte

Zie van Greve Gerolfs geslachte

Wolkes kind daer na in handen

Krieg das Greefskap Tiesterbande

[215] En zin ander oir bevonden

Wart ein Greve op onzen gronden

Int jaer ons Heren gepresen

VIIIc end X by dezen

[255] Als Koning was zekerlijcke

Kaerle de Grote van Frankrike

Kwamen ti Noren by geleide

Van irren man Gottrick, beide

Mit sckuten CC, en orssse vele

[260] Roefden Frieslant an drie delen

Ende sloegen ti Friesen beide

Harde in drie staende striden:

Kaerle hoerden zolke maren

Ende bereiden in te varen

[265] To wederstant, wanneer i hoerden

Dat en zine luden vermoerden

Ruste emmige te bestriden.

[295] Meremals tot ander tiden

Dede di Noren groete skaden

Onder Rorik zi bestraden

Uterichten, ende namen

BetemenWike to Duerstede zamen

[300] Lodewick de goede here

Als hi berichte, quamen mere

Di Noormannen opgevaren

De Wahl ... mit skaren

Ende Nimagen zi bevoten.

[305] Bamberose liet ti sloten

Weder maken als wi horen

Di ti Noren deden te storen

Dagobert bestreet ti Friesen

Ende dede in verliesen

Den slag mitten Bartuwalden
[220] En wat Frisen i behalden

Langer als syn glavi, lite

Datelik dat hoeft afsmiten,

Wiltenburg dede hi storen

En om t' heyden diet bekoren

[225] Dede ir een kirke richten

Van S. Tomas op ti Trichten.

Adgilt berichte ti Frisen

Ende na hem ti verrisen

Radebold ti onsen Here

[230] S. Wolfram wilde bekeren,

Ende liten zo belopen

Offen wilde laten dopen

Mer wen i zien voete plonte

En ti ander in ti fonte

[235] Zetten wilde, sprak i myn

Zeg, moe meer mien Atteren zyn

In ti Hemelum, of weder

In ti Hol gevallen neder:

Wolfram antwoorde hem, das

[240] Al wie ongekerstent was

Storven, wisselijk verloren:

Wol sprak i, ix laets u horen

Das ic bi das meerder erven

Van mien Altren na mien sterven

[245] Dan wil wizen vri van schanden

In Wodins over zelige landen:

Tan met luttel armen Christen

mi twintich nimmer wisten.

Uten fonten is hy togen,

50] En tum darden tag gedrogen

Gravenwaerts, om sien gesellen

Zien en spreken in der Hellen.

Korts hier na zyn wederkomen

Over Zee die fel onvrome

70] Wrede Noren, ende roven

Al dat land aen Zee gesonden

tie havene van Hegmonde

Die de Hegge plach te heten

dat Bedehuis te weten

[275] Daer in lange was gestichte

nu after Dunen zwichte

En sunt te Nortika komen

er zi tegen trak die vromen

Greve Gerolf en Tibbold, agen

80] Rinesburge, daar zi lagen;

En te wan dat Noertse here

s te kraftich in ti were

En te oevel wurt e dragen

even zi te beide slagen:

[285] Dat harde droeve was den goen.

ti heilige Jeroen

Grepen zi en deden wilen

Grote pien, staken met pilen

Int live, en bornden overzere

[290] En te spatten allen here

Onsen heer ende onthoven.

Zelande zi oec beroven

Daer Greve Eggaert Halpdams zoene

Bleve in die weer die gone

Ti reden datten wederstoet

Greve Gerolf, was zin goet

[310] Dat ti Noren onderwonden

Te beroven, want ze versonden

In gesantskepe na den skine

Aan den Keyzer Kaerle ende pine

Die en zant hiet Godefriet

[315] Ende onderwijl verriet

t' Noertse Volk met zinen goede

Hoe ik daer ave was te moede

Mag een ider proeven wale

Wat holp ir of vele tale

[320] I ging zo den Noren ave
Ti em adden gelooft veel gave

Konde i de vrede betraken

Das zi kortelinge braken

Ende namen daer toe das zine.

[325] I adde verkregen mit grote pine:

Trouwe daden, ridder bande

Van Konink Aarnout van Frankenlande

Mette zegelijn en brieven

Zommige landen aan hun lieven

[330] Die al t zamen waren zine

Zuderschagen tussen Rine

Tussen ti Noert A en Oester Sassen

Gheistenlant en holtgewassen

Een hoeve in Bodenloden graven

[335] Ende in Alphen bruk twee haven.

In Olthornum eine hoeve

En te Huwi ein manse toeve

Te Tolen Asseke ein manse alsvoren

Met al watter toe mag horen.

[340] Te Frankenwaerde was 't gegeven

Ende met teiken onderschreven

Na ons Heren geboerte wegen

Int jaar VIII. LXXX ende IX .

Dus wanneer i opter straten

[345] Hadde in Forenbrug zien lief e laten

Was den lande zonder Greve

En ti ander Noeren bleven

Te Vleretelingen ende vesten

Tegen ti Frenken al haer beste.

[350] Kinderen ..ad i.. twee bi namen

Tiderik en Walgeer samen

Beide jonge zonder tiden

Ende onbequame ti striden

Ti irren Moederes Zustere anke

[355] Namese to si onder ti Franken

Ende leerdense kerstijnheden

Ende ridderlijke zeden.

Deze Walgeer t' ener wrake

Dede voer zin Vader smake

[360] Erhauden ten Noerman ti doet

Die em utten zaden skoet

Op ti jachte onder t' jagen

En te wurt oec zelve slagen.

Zo dat Tiderik alleine bleef

[365] Ti ir nare warde Greef.

Walgere is alzo gestorven

Ende Teisterbande bedorven

Dat i hadde als Greve verkregen

Daer na ist aldus beslegen

[370] Kaarle ti Simpel sekerlike

Di das sweert droeg van Frenkrike

Om datte veele kwamen ti Noren

In Frieslant zine landen storen

En i bescharmen niet ne mochte

[375] Hi dus aller ierst berochte

Titerike te geven in handen

Ti bardaxe van ti landen.

Dat ti beskarmen zolde voerwaer

Zine luden al to gaer

[380] In die kerstenlike gelove

Als hun Gode van boven

Gepreket van Sint Williboert

Ti Pippyn alse gij hoert

Zant int borenes ons Hieren

[385] Ses hondert en negentich vieren [694].

Ti Friesen goede te doen kond

Tote Weskapellen hi vond

Ein Godse Wodin aenbeden

Mercuriose na heijdense zeden

[390] Den i brac, unde terstont

Wurt i swarelicke wont

Van ti Mercuriose wachte:

Efter preekte hi met krachte

Oestwaert onsen Here te recht

[395] Ente quam al to Utrecht

Storen die Godsen onverholen

Alse Paus Serges hadde bevolen

Ti en Aertsbiscop heeft e wied

t' Uterichten i liet

[400] Zinen stoel, ende bekeren

Vele luden t' onsen Heren:

Angels uten Neersassen was

Van Northumberlande, das

Ons tie schreften laten horen

[405] Sinte Willeboert gebooren:

Ente preekten zi te mael

Gode in ti friese tael.

 

DIRK

 

Nu keren wi weder gelieck

Totten Greve Tideriek

[410] Das Greefscep Hollant gelagen

Unde bericht unsen dagen

Billicke unde na wens,

Adel Heare Greve Florens

Is ein stik van Frieslant voren

[415] Gewesen, alse wy horen:

Woe ti Frisen Anelen en

Saxen mette Allemangen

Verhiven over Bretangen

Dus ti in ti landen bleven

[420] Was de name Friesen geven

Sus die alsten in recht

Unde fane Franken geslecht,

Mitter groeter mogenthede.

Friese was bekant van zede

[425] Greva Gerolf uut wi geliek
/ Namaels heeft Titeriek

Das swaert geheven als rechter oire

Di wrede Noren te stoire

Als hi dede ende kreeg

[430] Briven ti ix ni en sweeg

Fan Karel ti sSumpel mede.

In der Drievoudigheden

Name Kaerle Konink geliek

Van Oest ende West Frankriek.

[435] Als billik is en wi verstonden

Onsen liven op onsen gronden

Tegen alle vutheims gewald

Te beschouden, dus zi gestald

Al bi onser Mogenthede
[440] Mit volle macht ane te leden

Ende ave na behoren

Zo het was hier te voren

In zien Greefskappe bekent

Ende over dier omtrent

[445] Onsen getrouwen Titerike

Dat hi daer af geve blijke

Ende elk hem volge heden

Met desen briven na kersten zeden

Dus gaven wi hem dat gebiet

[450] [Na goet en rype beliet

Over luden ende landen 

Als hier neven wi beduden

Ti hem eigen ne waren niet al

Voertan zint bi dat getal:

[455] Ierstelik wi bevesten

Over ti nakommers te leste

Hem en de zine ant oud gebiet

Van al wat hem eigen hiet:

Dat hem God starke daer boven

[460] Over het kersten gelove

Voer te staen al met macht

Jegen dat heidens Diets kracht

En gewalt, en ave trekken

Van karstens die trouwe breken.

[465] Dus geven wi hem daar vrank

Dat swaert over, bread en lank

Te gebieden allen kanten

(Uutgenomen eenige landen

Ti onse Stamme eigen zunt

[470] Daer em die bruke of wort gegunt

En di tienden te heffen mede

Dese bliven ons ter stede

Met haren rechte bewaert als voor

Datter niet ave ga te loor)

[475] 't Lant dat hi zal berichten
Oeistwaerts bepaelt na ti Trichte

Tot Suuthardes hage

Bi Bodeloden grave gelage

Daer zin Vaders Greefskepe gelag

[480] Als t' was op dese dag

Tot t' weste bi Katiks ende

Zuutwaert Fortrape belende:

End noirtwerts zy t' and

Daer men ti beke Kinheim vand.

[485] Aldus gedaen ziende op heden

Willen wi dat em zi vrede

Van iegelike in zijn besit. 

Ende di en jegens stit

Dat men hem ave doet rumen

[490] Ofte straffe nader costume

Daer die misdaet gelegen es

Int jaer der geborenes

Onses Heren hoeig verwondert

Uut einer Maget negen hondert

[495] ende XXII bat

Gegeven tot Aken in di Stat

Oppe Paesavont: ten leste

Met onsen vingerling beveste.

Dese Konink Kaerle goet

[500] Gaf namaels metter spoet

Tot Bladellen in den jare

Negen hondert overware

Ende drieentwintich bat

De reste van dat hi besat

[505] Al in Tidricks mogenthede.

Tot een eigen erfachtichede

Hier voren geroert, in vrede

Over bede van Grave Hagen

Die Kerke to Hegmond gelage

[510] Al met dat geestelik gebiet
Dat jegens Fortrapa stiet

En Kinheym alsmen ziet.

Bedi heeft hi oek verkregen
Een gifte t' eender wegen

[515] Jegens zin wijve Hildegaert

Tie em Arenout heeft gebaert

Te Gante, in hare mogenthede

Dat hi voegen zoude mede

Wasda dat Foreest

[520] In haer mogenthede t' meest

Aen zijn Greefskepe alsvoren

Met al wat' er toe mach horen

Dit gaf em Lowies met min

Door zin wijf Emme ti Koningin.

[525] In zin tijt wiert evonnen

Dat Lijk Aelbrechts van eine Nonne

t men verdroeg, tot Egmont.

Ik moet u zeggen goet ront

tte de jesten ons ontbreken

[530] Om dudelike te spreken

Van vele dingen als ik wil:

Dus zo bid ik alle stil

tmen mi quite of iks fale

Ofte argens inne dwale

35] Want ik slegtelike zeggen zal

t' Ware dat ik vinden al.

In deses Tideriks tiden

Waeren vele wigen en striden

Mette Friesen, ti ne dulden

[540] Wouden nochte billik hulden,

Tog zi worden wale gedwongen

Dase iem over heare ontfongen.

Sinte Jeroens gedenkenes
Oic van dese Tiederik es

[545] Van Nortika to Hegmond gedragen

Daer i nog ligt zinder lagen.

Ende het holte Kloester daer

Dat ontdede hi vorewaer

Ende richte het weder van stenen

[550] Die Nonnen oic zoude ik menen

Heefte hy mede onverlet

Over to Binnebruk gezet

Ende setter in wat vorder

Die van Benedictes order

[555] Ende gaf te Monniken goed

Jeften vele in overvloed.

Zin wive Hildegaert mede

Gaf in vele dingen met rede

Tafel schoene zonder jok

[560] Ende fiere Evangelen bok

Vol adel steinen en goude

Das zi nog in eren houden:

Egbert iren zoene fier

Tie Aartsbiscop van Trier

[565] In Bretangen van ir geboren

Gaf den Godshuse, te voren

Gemeltet, mede goeden veel

Als oik zin Zustere eel

Arlinde schank en misgewaden

[570] Kostelike en van staden

Ende was als ic hou gewis

To Binnebrukke ti ierste Abtis

Tiderik verwarf oik mede

Overmits Theofanen bede

[575] Van Konink Otten, en zin zoin

Egbert ti Biscop scoen

Ende Otten Neve Henric van Baren

Hertoge hoge, overware

In vraien eygendoeme, wat

[580] I van Iem te lien besat

Tusken ti wateren Langir ora

En te Iesle overwore

Dat holtgewas en lande trou

Mit ti hoeve Sonnemaer gou.

[585] En wat' er tussen ti Aden lage

Van Medenlek en Marken tagen

Gene-loos aer, ende al das

Iem to Texela eigen was

(Uutgezeit dat huus-lade ter degen)

[590] En dat in Kinheim is gelegen

En in Maeslant gaf i em

Met al watter hoirt aen hem.

Dese Tiderik voirscreven

Is gevaren ten lange leven

[595] Tot Hegmund daer i ter uutvaert

Twie jaren na Hildegaert

Isse gelegt en begraven

God heeft bider de zielen ave

Want i starf t' jaer waeragtig

[600] IXc en LXXXIX.

Zo dat i berechte voirwaer

Omtrent LXVII jaer.

 

AERNOUD


Arenout ti twede Greve

Zinen Zoene, is gebleven

[605] Ant bestier, ti men voirwaer

Nennet Arent ti Gantenaer

Want i van zin Moederes wegen

Ti Burgscape hade verkregen

Voir Egbert zin alve Broer

[610] Ti na Trier as Biscop voer.

I aefte bi zin Vaderes leven

Ende iem wurt ten wijve geven

Ti dochtere van ti Keisere faen
Grieken de kleine Romaen:

[615] Genant Luitgaerd zeer scoene

Ende doegdelic van persoene.

War an i wan mit er vaert

Tiderik ende Sivaerd

Sikke genanet, ti ir nare

[620] Ien doet sloeg, doer vare

Toeg i na Castrichem, daar i

Eene Goswin uut Frieslant, bli

Wirde gehalden, ende ontfaan

Waer ute is ontstaan

[625] Doer praten en wiven trien

Ofte andere toverien

Datti Tietburge nam ten wive.

Zin Broder wilden ontliven

Opt laeste wurt et gedaingt

[630] Ente i van Kanemerlaingt

En Frislant gehult overware

Jegens zin Broeder openbare

Tese Sivaert krege ien soen

Tiderik genant scoen

[635] Uut Tietburge, tie na desen

Van Breaderhoode ieft gewesen

Die ierste Baroen van Zevenburg

En Godefriet van Lutzelburg

Toe nu Arenout als Greva

[640] 't Zwaert hadde opgeheven

In zin Vaders plaets overwaer

Ente i van ti Friesse skaer

T'a zudermuda wilde gangen

Na costume t' schilt ontfangen

[645] Spraken zi overluut

Ze ne wilden van in gebruut

Niet zien, nogte ien hulden

Nogte zine dwank gedulden:

Ier toe gaf in himlik recht

[650] Zo t' skeen ti Biscop t' Utrecht

Echter trok i de hant daer ave.

Mar ti Friesen ze ne gaven

Daeromme te meerder niet.

Des hen Arenout onthiet.

[655] Ende trakse te Winkelma tegen

Daer wart fel e-slegen

En ti Friesen hielden t' pat

Hier bleef verslagen, dat

Zijt gewis, ti jonge here

[660] Met ten zinen in ti were

Als i vyve jaer had bericht

Zine kinders waren licht

d' Outste twaelf jaren gewesen

Dus was t' lant alom in vresen

[665] Zin wijve starf kort na iem

Van droefheit, des gehoerden wi hem

En te is tot Hegmund begraven.

Vorders vind ix nie daer ave.

 

DIRK


Tiderik volgde iem toe dan

[670] Int bericht, ien stout man

Alse gi zult kurts hoeren

Tie darde Greva geboren

Aernouts outsten soene, tie

Te riese Vriesen also mie

[675] Wilten ontfaen, wie zin Fader

Dus liet i se te gader

Ien poes, datse sik beraen
Weder iem hulden wouden of slaen:

Ti Frisen na ripen raden

[680] En te vresen voir skaden

En wrake voir des Grevan doit

Haben Tiderike geboit

Se wolden iem hulden op condise

Dat ise die ierste prise

[685] Ende pine schelden zolde kwiet

Nenne gedenken to gender tiet

Jegens t' leit iem wedervaren

Jefte zin Vader over dem haren

Dat se de tianden gaven vri

[690] An den Greva, en dat i

Ze zelve zoude laten garen

Ofte vermangelen zonder zwaren

Na zin wille ende geer

Ente watter toehoirt meer.

[695] Ente op hoiren kosten varen

Jegens zines Viants skaren

(Dat em wale kwam daer na)

Sus gaf i se zine gena

En t' worde gedaingt. hier nare

[700] Isset em wedervaren

Dat ti Biskop van Tricht, Luika

Ente van Trier, to gebruika

Van der jacht en visserien

Namen in als eigen mitsdien

[705] Het holt Mereweda te male

Daer die Mose en ti Walhe

Iem vermangen, tier stont.

Dit was Tideriks gront

Des i sik opmaekte en werpen

[710] Daer op, ien veste en terpe.

En nandent doer-Tricht.

Dat mer baet hive op licht

En swaer mangeling of vrachte;

Ti bi dage of nachte

[715] Die Ade oppe of neder vaer

Dit nam ti Biskop swaer

Van Trichte en klaegde t' ti Keiser

Henrike offe ien weiser

Zinde onrecht adde gedaan

[720] Ti Keiser op zolk vermaen

Ieft en getroest, en geboden

Am Haertoge Godefroiden

Van Ardenne, heirvaert

Te bescriven in t' Betavwer waert

[725] En te van Nimagen te faren

Tot Alleblas mit zin skaren

En ti Greva oppe te slaen

Tiderike ieftet verstaen

En trok mette Vriesen oppe,

[730] En te besatten en stoppe

Ti Gisenbrogge, des man

Kwame opt water an

Mit skuten bi nacht zonder skiten

Iefte roepen: dat mach mi spiten

[735] Sprak ti Greva das si t' ontgaen

Zin, sus sinne slaen:

Maer sprak i tot ti Friesen weder:

Mannen, in trouwen gif u neder

In die lage opt lest

[740] Ier zi vaste zin gevest

En griepse ane met fellen moede

Voerzeker ik sta u goede

Alse gi treft voren aen

In ti zide wol ikse slaen.

[745] Wes zonder angste of vare

Hoewel zi vele skaren

Zint, enne onser korte getal

Ane Gods hant hangt al.

Dus haben de Vrisen begonnen

[750] Ende warpen die tonnen

Ave in ti Morgenraet.

Ti wijch wort harde en kwaet

Int moer, en ti Grave

Trac toe, dus gaven

[755] Ti viants zik int riet.

Ein stem riep: Vliet, Vliet,

Men ne weet van waer t' luit is komen

Daer liep ti Hertog ter stromen

Waerts, en elk volgde iem naer

[760] Dat krige wort fel en zwaer

Tussen ti Baxen en skuten

Op t lant en daer buten

Vil menien man: ti Biskop

Kwam kume met kleine trop

[765] In een skep, en ist ontlopen

Tegen zin wane en hoipe

En is bi de zine gestelt

Dus hielt Greva Tiderik dat velt

Met grote bote en blef houwen

[770] Mereweda, Albelas, en ti Gouwen

En Stroemen in zin gewout.

Ti Hertoge wort kwite schout

Al uter vangenesse

Alsse het wurde in daingenesse

[775] Gebracht, ende Tiderik

Aefte ien wijfe scoen en rik

Ti Othilt hite bi namen

Taer i namaels ave bekwame

Tiderik en te Florens.

[780] Sindert krege hi dat gepens

Dat i wolde varen mit eren

Tot dis helig graf ons Heren

Ti ierste Greva di dat bestoet

Ente alse hi weder goet

[785] Was gekamen bi den zinen

Bedachte hi tese pine

Te gevan ane Sint Alebrecht

Tot Hegmunde te recht

Vele dingene ter stede;

[790] Alse sin Broder Sikke mede

Dade, en starf, en legget terstont

Met zine Wive al tot Hegmond.

Na iem hielt Tidrik weder

Kenhemaere, en vil neder

[795] In krankhede, alse hi

In ruste dat lant bli

Langen tide hade berechte

Over heare en overe knechte

Ik heb verstaen al voerwaer

[800] Dat hi stierde XLVI. jaer

Ende ligget mede t' Agmund

Zinder lage.   Ik zeg sunt

 

DIRK

 

Is int berichte gevaren

Zin kint Tiedrik overwaren.

[805] Ti ni lange Greva bleef

Wantha alsemen skreef

M. XLVIII. ons Heren

Jare, zo rees die vete were

Tussen ti Keisere en zin trien

[810] Iegens di jagte en visserien

Ti stont bi zin Vaders tiden.

Ti Keisere kwam af to striden

Omtrent Pasen al in dat Tricht

Ente bi ien kam, niet licht

[815] Ti Markgreva fan Broban

Al mit menic stoute man.

Zi kwamen ave te skepe

Na Fleretelingen slepen

Daer ti Greva Tierik was.

[820] Ik moete u zagen das

Ti Biskop Wase had groeten vaer

Als iet wale bliek daer naer

Zin volk te ledene ter heervaert

Hi blef after in ti staert

[825] Ente wurde alsus te moe

Dat i blotelicke zag toe

Hoe ti wijch zolde vergaen

Ti Keisere ging beslaen

Zin here al om den doer tricht

[830] En wan ti veste nie licht

Ente trak ave te Fleretelingen

Greva Tierik kwamen bespringen

Met lichte skuten groet getal

Tie grove skepen ni smal

[835] Volgde nare, mette ebbe

Twi stiter iegen di grebbe

Ende sat vaste int murg

Ti dage wurt Keneburg

En Fleretelingen alle verrast.

840] Mare alse het watere vast

Woes, en ti jongen Greva

Ane kwam, en daer ave

Ten diek scilicke doer brak

Dien ter halverwege stak

[845] Zat Keiser Henriks here

Al om blank in dat mere

Ti Keiser zelve liep gevaer

Sus kon i ia daerenaer

Verdere nerewers ni geraken

[850] En moeste de tocht staken

Onverricht en kerene weer

Greva Tierik zinde das heer

Breken en ti gewaren swanken

Al in roere, en datte planken

[855] Ontbraken, vil met menic boet

Op tie skepen en namse, daer stoet

Ti mogende Keisere begrepen

Van weinige Frisen, zonder skepen

In t' slicke, en track ave,

[860] Daer vil ti jonge Grave

Metten zinen in ti staert.

t' Here wurde te barentaert

En ontdane, wo vil daer bliven

Zolen wi ja ni ligt skriven

[865] Ti Keisere zelves kwam

Cume daer ave t' Utregt, gram

Op Biskop Wasse tier stonden

Ente dwongen CCC ponden

Zilvers ave, ware het recht.

[870] Greva Tierik trak recht

Op den Doertrecht ane, en wanse

Daer begafen de kanse

Dat ti Haertoge van Braban

Van ten zinen himle Son

[875] t' Oertrecht ane ten boem, datse

Ti adel Greva Tierik verratse

Ale met ien vernijnede strael.

t Is geschiet als ix verhael

Dat i starf vane dit hinder

[880] Zonder wijve zonder kinder

Alsus opten Doertricht

Negen jaren ieft hi bericht

Zin Broeder Florens volgede mede

Alse recht was in zin stede.

 

FLORIS

 

Dese Floris ti viefde graef

Na s' Broders doet, zegge ik aef

Dat hi huwede ien wive

Adelike en scoen vane live

Hareman van Saxen Hartoge

[890] Kint, daer i ave kreeg

Ien Zoen en dogtere van deeg

Ti ane ti kroen van Franken

Hilikede namaels hoge

Hi gaf mede vele in danken

Den Godshuse t' Agmund

[895] Over ziender wiven gunt

Ti Geretruden hete bi namen

t' Is iem aver kamen

Dat ti Hartoge van Brabon

Ti Biskop van Keulne on

[900] Ti Heare van Kuuk mede

Utes Keisers name strede

Op Grave Florens, om dat

I in zin gewout besat

Ente als zin Vorders hieve

[905] Het Tricht op ti Merwa, griven

In doer groete lasten zwaer,

Dus togen zi op aldair

Mare worden tegen wille

Ontdaen, daer zat stille

[910] Ti Biskop al van Utricht

Ente ne darre zik in den twicht

Steken uut angste en vare

Florensse mare

Ging over dat lant

[915] Zo dat zine felle viant

In gien poert peinsde zeker wesen.

T' is geschiet alse wi lesen

Op ienen dach dat i sloeg

Bi Hamert vreselike genoeg

[920] Tusken ti Mase ende Wahlen

Ente ging mat onder ien boem

Liggen to rasten toten droem

Aldaer kwamen ane gereden

Ti Heare van Kuuk in zin geleden

[925] Ti en verraste en sloeg en doet:

Dat was ja jammere groet

Voer hem en ti mettem bleven

Dus voer i ten langen leven

Ende begraven tot Hegmunt,

[930] Alle t' land sting over unt

Dit heeft zik also vervaren,

Als men screef Gods geboerte jaren

M.LX. ende ien

Alse hi der jaren dortien,

[935] Hollant hadde bericht als Greve

Zin wive Geretruut is bleven

An' 't bestier jegen hair kroist

En te want zi behoefde troist

Ende helpe, dieze stuwde

[940] t' Is beslagen datse huuwde

Die oudste Zoene van Boudyn

Vanne Vlaender, dat i zou zyn

Voegt jegens ten jongen Grave

Daer oec dese Robrecht ave

[945] Den name Robrecht ti Vrise behalt

Want voir Godevaert metten balt

Hite men van Frislant Grave

Ende dit kwam hem dus daer ave.

Hi hadde als Voogt het land bestelt

[950] Agte jaren. tog met gewelt

Die gebochalde Govaert henen

Op Hollant zoude ix meenen

Toeg, met groeten heer:

Biskop Willem in ti weer

[955] Van Utrigten halpen mede.

Robrecht moest ruumen ti stede

Ente trak na Vlaenderlant

Dat i krege als Grave in hant

Dese builrugde Govaert

[960] Prante rechte voer sin paert

Op Hollant, om dat vorelange

Zine voorder, ti gevangen

Haertoge Godefroi van Arden

Wien Tiderik ti darde pren

[965] In den slag van Henrike

Di Keisere tot zikke

Volgens onzagte breven gewan

Sommige dingen als 's Vorsten man

Den i met Biskop Willem hive

[970] Van ti Keisere as zin live.

Zi verworven beide te hant

Jegens Geertrude al Hollant

Onder hen beiden te schikken samen.

Zi mochten s' hun billike schamen

[975] Zolken aterlike bestaen

Het isse Biskop Willem vergaen

Als men zegt, want i onder

Godevaert holp bizonder

Hollant, dat i vire jaer bezat

[980] Met gewalt, als menic pat

Op ten Oestvrisen had begangen

Scade gedaen en ontfangen

Dat i, als alle Tirannen ploen

Niet ondere voer zonder bloen,

[985] Zittende op een himelikhede

Tot Dalft, wiert i beneden

In sine fondamante getreft

Van Tidriks knape Giselbrecht

En te liten t' Utrechte dragen

[990] Daer i starf mit felle plagen

Ente Willem kort na iem

Ondervoer, dus hoerden wi hem.

Tot nog was Holland zonder zine

Here dat en dede pine.

 

DIRK


[995] Tideric de sessede Grave

Ti vut zines Vaders have

Van Godevaert, ti Bilioen

Was gedreven, is di goen

Ti mit zines Stiefvaders machte

[1000] Ende der Magen hulpe trachte

Na zine erfachticheit stout

/ Biscop Willem hade gebout

Een vaste Burge t Iselmonde

Daere toe Coenraet tier stonde

[1005] Oppe was, dit ieft verstaen

Greva Tierik en ging en beslaen

Allomme en trac zine skepen

Tegen opt Mereweda, dair grepen

Zi mit fortse ien ander an

[1010] Dietrik wast ti de wijch wan,

Ente stormede op t Slot

Ende skoter oppe tot

Iet inden brande rogte.

Daer halp gien water datze brochte

[1015] Ti knechten, het most ane de gront

Biskop Koenraet wurde gewont

En gevaen, zo men mi zeide,

Tien Greva korts los leide.

Dus gewan hi mit mogenderhant

[1020] De zege en trak int lant.

Hi berechte dat lant in vrede

Vieftien jaren en te nam mede

Iene Vrouwe ti hiete Odilt

En te wan, alse gi weten wilt

[1025] Ein kint Florens, an zinder stede

Hi hevet begiftet mede

Dat Godshuus t' Agmond aldaer,

Starf in ons Heren jaer

MCX [= MXC] en iene mit vrede

[1030] Legget daer oik zinder stede.

 

FLORIS.


Na iem kwam ane dat bestier

Ti zevende Greva getelt alhier

Florens ti te boven gink

Zine vorders in menigen dink

[1035] Den aefte ane Vrou Peternellen

Tidrix Dogtere, als wi vertellen

Vane Saxen, wes Broeder Lotair

Wurde Keisere te Romen voirwaer

Bi desen wive iefti verkregen

[1040] Twie Zoenen bi Godes zegen

Die men Tiedrik en Florens hiet

t' Es geboret alse men ziet

Dat ti Greva ging vut jagen

In dat holt van Criele, daer zagen

[1045] Zine knapen ter selver sta

Ti knapen vane Galama,

Ente benamen er drie honden

Alse dit Galama ieft bevonden

Sprak met dollen en arren moe.

Dit geve mi God taer toe

[1050] Moet ik ten Grave, en hi min skade

En hoen niet beteren wil ter stade

Zoe ik ein vrie Friese ben

Zal t' en vergalden, zo bat ik ken.

t' Es geskiet na korte tiden

[1055] Dat ti Greva kwam riden

Ter jachte zoe hi te voren plag

Galama was dair i t' zag

En spraken ane in arren moede

Onbeskoft, du zulst vergoeden

[1060] Heare Greve ente beteren mien ska.

Ti Greve sprak als ix versta

Datti behoerde met batter eare*

Te gemoeten zin Lants-heare*

Ente terwilen i nog sprak

[1065] In dier voegene, zo trak

Ti rise Galama zin geware

En ieft den Grewa toe gevare

Ente kwetsten in den arm

Die knape skoet toe met gekarm

[1070] En te ieft Galama doorgraven

Dat i neder vil daer ave,

Ente ti bi em waren zien

Cume ontloipen mit groeter pien.

Dit es geschiet ase wi lesen

[1075] Int incarnatioen des Heren

XIc. en XII. jaer.

I verbeterede voirwaer

Dat Godshuse t' Hegmunde

Ente gaf en als wi vermunden

[1080] Ieften vele tier stont

Ente starf, als wi doen kont

In zinder joget, onses Heren

Jare XIc. en twint mere

Jaren en twie [1122], als men mi zegt

[1085] Dat i tot Agmunde legt

Peternelle zin wive es bleven

Houden voir haer en dare Neven

Ire kindren in hant

Dat berichte over Hollant

[1090] Ente gaf vele metter ile

Den Godshuse voer hare mans zile

Den zi te Rinsborg hadde gericht

Twaelf jaren alsemen ligt

Bevant na ire mans sneven.

[1095] Haren Broeder jeft zi geheven

Met er halpen al tot ti kroen

Ente hade te voren skoen

Des Keiseres dwank wederstanden

Ende in stade gestaen den lande

[1100] Ente starf ave overwaer

XIc en XLIII. Jaer

Ende laget te Riensborg begraven

Dare zi vele gaven

In hare tiden ane gaf

[1105] Verders vinden wi ni daer af.

 

DIRK

 

Tiderik kwam an den berichte

Na zinen Vader als ti geschichten

Ons zeggen vanne desen tied.

Daer rees groeten stried

[1110] Tusken ti Frisen en den Grave

Oppe dat ijse daer begaven

Ti Frisen zik na Allekemaer

Ente vloeden were van daer

Over des Graven gewalt en here

[1115] Daer bornede men zere

t' Allen kanten, dat jamere was,

s' Graven Broder zijts zekere das

Ti ter eren was genegen

Florens genant, had ter degen

[1120] Gonste over allen genoeg

Des hi fiere met ongevoeg

Moedere en Broder bragt in aren

Moede, des hien spoede voirwaren

Al na Vrieslant bi ongedult:

[1125] Daer wurt i aver here gehult

Ente barnede Allekemare

Ti verpinede Kennemaren

Mosten ien hulden zi wilden of niet

Ente bornede alsmen ziet

[1130] Alse te Harleme komen waren

s' Heren husen, dat en sware

Bekam, want Tiderick

Viel oppe, ende nam rick

En arme in zinder gewoude

[1135] Als dit Keiser Lothair bescoude

Zant i tien met jonste en macht

Den Gebroeders daer toe bracht

Zo das zi den paise betraken.

Tese Florens van wi maken

[1140] Ons woert, alse gy hoirt

Is korte om ien wief vermoert

Van ti heare van Kuuk te Trichte

Ente Aernesberge ti stichte

Zolk verraet, daer hi starf af

[1145] Te Rinesborge licht hi int graf

En te ti Moerders mosten lange

Zint ballink, dat iem vil bange.

Dese Tiedrik vinde ik af

Dat i tot ons Heren graf

Mit groeter gere is gevaren

Als men onses Heren jaren

XIc en XL schreef:

Van den Paus hi verworven heef

Vri brieven ter zelver stonden

[1155] Den Reinsborge ende Hegmonden.

Hadde ien wijve ti Sofie hiet

Ti was alsmen beskreven siet

s' Palsgreven dogtere van Rine

Daer na gevil ti pine

[1160] Tussen ti Biskop al t' Utricht

En ti Greva, datte men sticht

Roef en striet beidene anne

Herebracht dreigden metten banne;

Ende dwank en met oetmoet

[1165] Datte wulle en barevoet

Di bane ave bidden kwame.

Int geborenes Gods bi namen

XIc LV jaer [1155],

Wast ien felle krieg voerwaer

[1170] Daer ti Friesen den Kennemaren

[Met roef en bornen zeer bezwaren.] [ontbreekt]

En ti vane Okstorp en

Harelehem kwamen bi hem

Einder wijch, dus vilen ti Vriesen

75] Ente moesten ter loop verlisen

Negen hondert en twint man bat

dare bleven op ti stat.

Dese Grave ies in vrede

Gerastet, en ligget ter stede

t' Hegmund begraven als i voirwaer

Hade bericht XLV. jaer,

Toe men skreef int geborenes

Ons Heren XIc. LVI.

 

Hier laten wi ten desen tide bliven

[1185] Vane ti Grevan bat to scriven:

Ente willen van Grave Florens

Hire nare ien groet gepens

Onderwinden te verhalen.

Dit habe ix willen vertalen

[1190] Omme t' oeffenen dennen zin

Der Luden, ti mi met min

Dikke t' oirkond te weten baden.

Batet ni, ten zal ien ni skaden,

Datse der jesten hervarene zijn.

[1195] Bid om Gode voer Klais Kolijn.

 

Esc[ri]ptu[m] e[st] p[er] manum

Nicolai Colini, in Hegmond

 

************************************************************

 

 

 

Webmaster: Menno M.A. Knul                                                                                                                                                                                                                      Laatst bijgewerkt: 15 februari 2013.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.klaaskolijnnet.nl  2009