Jan Wagenaar: Toets van de echtheid van de Rijmkroniek van Klaas Kolyn, 1777

 

 

 

TOETS VAN DE EGTHEID DER RYMCHRONYKE, DIE, OP DEN NAAM VAN KLAAS KOLYN, UITGEGEVEN IS.

 

DOOR J. WAGENAAR.

 

TOETS DER RYMCHRONYKE VAN KLAAS KOLYN

 

I. Hoe nadeelig het verdigten van Geschiedenissen, die men voor waaragtig opgeeft, ook zy aan de geloofwaardigheid en zekerheid van egte verhaalen; nogtans zyn 'er, van den tyd af, dat kennis en geleerdheid in eenige agtinge geweest zyn, menschen gevonden, die, op den naam van vermaarde mannen, of op onbekende naamen, Historien en andere schriften verdigt en uitgegeven hebben. Men heeft, by voorbeeld, alvroeg, redevoeringen verzierd, op de naamen van Demosthenes, Lysias, Dinarchus en andere beroemde Redenaars der Oudheid (1). Een Priester te Efeze verdigtte, in de tweede eeuwe des Christendoms, eene Reisbeschryving van Paulus en Thecla, op des Apostels naam (2). Vigilius, Bisschop van Thapsus, omtrent het einde der vyfde eeuwe, heeft, volgens zijne eigene bekentenis, verscheiden, ook Historische, schriften, onder de naamen van Athanasius, Augustinus en anderen, opgesteld en uitgegeven; sommigen van welken, eeuwen agtereen, by veelen, voor egt gehouden zyn (3). Joannes Annius van Viterbo, Dominicaaner Monik, die, in 't midden der vyftiende eeuwe, bloeide, heeft een aanzienlyk getal van schriften verzierd, op de naamen van Berosus, Manetho, Megasthenes, dien hy, verkeerdelyk, Metasthenes noemde; Sabius Pietor, Myrsilus Lesbius, Archilochus en anderen, die van veelen voor egt gehouden; doch van de meesten, alvroeg, a!s onegt verworpen werden (4). Eindelyk, want men zou deeze lyst, geweldiglyk, vergrooten konnen, in 't begin deezer eeuwe, deedt zig, in Engeland, een vermomde Franschman op, die voorgaf een inboorling van het Eiland Formosa te zyn , en zig George Pfalmanazar noemde. Op deezen naam, liet hy, eerlang, eene beschryving van het Eiland Formosa uitgaan, die by eenigen, terstond, van onegtheid verdagt was (5).De Verdigter, die, voor weinige jaaren (6), overleeden is, heeft zelf, meermaalen, zo hy verzekert , by monde en geschrifte erkend, dat deeze beschryving verzierd was; doch egter tot zynen dood toe, den naam van Pfalmanazar gedraagen; en het gantsche beloop van zyn snood bedrog zou , veelligt, nooit ontdekt geworden zyn, zo 't niet gebleeken ware, uit een Geschrift van zyne eigene hand, welk, na zyn overlyden, gevonden werdt, en zynen slinkschen handel openbaarde (7).

II. Men heeft, sedert eenige jaaren, begonnen te twyfelen, of de groote !yst der verdigte schriften ook nog behoore vergroot te worden met [p. 205] het geschichte Historiael Rym, of de Rymchronyke der eerste Graaven van Holland, die, op den naam van Klaas Kolyn, Monik te Egmond , reeds tot tweemaalen toe, in druk uitgegeven, en, by veele geleerden, lang, in groote agtinge geweest is. Ingenomen, door den voorgang van eenige mannen van naame, heb ik deeze Chronyk, ook lang, voor egt gehouden , en, als zodanig, in myne Vaderlandsche Historie aangehaald, tot dat ik, eindelyk, aan het twyfelen, en, door myne twyfelingen, aan 't nader onderzoeken geraakt ben: waarvan het gevolg geweest is, dat my geene voldoende redenen voorgekomen zyn, om deeze Chronyk, onder de egte schriften, te tellen; waarom ik haar, in de tweede uitgaave der Vaderlandsche Historie, de plaats, die zy, in de eerste beslaagen hadt, t'eenmaal, heb doen ruimen.

III. De Liefhebbers van 's Lands Historie zyn, sedert lang, in de verwagting geweest, dat de Heer Balthazar Huydecoper, die, mogelyk, meer dan iemant, overtuigd is van de onegtheid van Klaas Kolyns Chronyke, de redenen, waarop deeze zyne overtuiging rust, in eene voor- of narede zyner uitgaave van de Rymchronyk van Melis Stoke, aan 't gemeen zou hebben medegedeeld. Doch, naardemaal die uitgaave nu het licht ziet,zonder dat de algemeene verwagting, ten deezen opzigte, voldaan geworden is; en de hooge jaaren en toeneemende zwakheid van den Heere Huydecoper niet schynen te zullen konnen gehengen, dat hy aan dit werk nader de hand sla; ben ik te raade geworden, de redenen, die my bewoogen hebben, om Kolyns Chronyke niet voor egt te houden, kortelyk, in geschrifte te stellen, en aan het oordeel van de Maatschappye der Nederlandsche Letterkunde te LEYDEN, van welke ik de eer heb een Lid te zyn, op te draagen; gelijk ik, by deezen, doe.

IV. Ik stel my voor, eerst, te verhaalen, wanneer, en op welk eene [p. 206] wyze, de Rymchronyk van Klaas Kolyn , hier te lande, bekend geworden, en by de Liefhebbers der Vaderlandsche Oudheden in agtinge geraakt is, en, in de tweede plaatse , te doen zien, dat 'er veele en gewigtigen redenen zyn , om deeze Chronyk niet te plaatsen , onder de egte schriften , de waare bronnen, waaruit 's Lands Historie gehaald moet worden. In het verhaal, waarmede ik aanvang, zal ik my, voornaamlyk , bedienen van de berigten, die Mr. Pieter van der Schelling, Schoonzoon van Alkemade, den eersten bekenden bezitter deezer Chronyke , van tyd tot tyd gemeen gemaakt heeft.

V. Kornelis van Alkemade, Commis op het Comptoir der Convooyen en Licenten te Rotterdam (8), was reeds bekend voor een verzamelaar van egte schriften en stukken, 's Lands Oudheden en Historie betreffende (9), toen hy , in 't jaar 1698 (10), de Rymchronyk van Melis Stoke, die reeds tweemaalen, door anderen, uitgegeven was, voor de derde reize, met zyne aantekeningen, in 't licht gaf.Indien hy toen een Handschrift eener Ouder Rymchronyke van eenen tot hier toe onbekenden Klaas Kolyn bezeten had, was het, naar reden, te verwagten, dat hy 'er iet van gemeld zou hebben. Doch hy spreekt 'er, in de opdragt, voorrede , noch aantekeningen, geen enkel woord van. In zyne Munt der Graaven van Holland, die, volgens den titel, in 't jaar 1700, uitkwam, vindt men 'er ook niets van gerept, schoon 't, aldaar (11), zeer wel te pas gekomen zou zyn. Hy hieldt, omtrent dien tyd, briefwisseling met Adriaan Pars, Predikant [p. 207] te Katwyk aan den Ryn, die bezig was met het samenstellen zyner Naamrol der Batavische Schryveren. Alkemade boodt hem hierin de handt (12); doch in die Naamrol, welke, in 't jaar 1701, uitkwam, wordt Klaas Kolyn niet genoemd: waaruit volgt, dat hy, aan Pars, door Alkemade, niet is opgegeven: en, uit het een en het ander, wordt het ten hoogste waarschynlyk, dat Alkemade toen nog geen afschrift van Klaas Kolyn bezeten heeft, of heeft voorgegeven te bezitten.Van der Schelling heeft ook een uittreksel uit een brief van Alkemade aan Simon Eikelenberg te Alkmaar, van den agtsten January 1711, in 't licht gegeven (13) waarin, onder anderen, deeze woorden gevonden worden: Ik heb, na het uitgeeven van dezen Schryver [M. Stoke] bekomen een afschrift van een Rymkronyk, omtrent een eeuw ouder dan Stoke -gemaakt door een Egmonder Monnik , Claas Colyn. Waardoor bevestigd wordt, 't gene wy uit zyn zwygen aangaande Kolyn, by het uitgeeven van Stoke en van de Munt der Graaven en in zyne briefwisseling met Pars hebben opgemaakt. Ook heeft Alkemade, volgens van der Schellings verhaal (14), eerst na 't uitgeeven van zynen Stoke, uit een' Boekverkooper van Rotterdam verstaan, dat aan deezen geveild was een geschreeven Rymchronykje, veel ouder dan Stoke, 't welk de bezitter voorgegeven hadt, zeer raar en het eenige overgebleevene te zyn. Alkemade gaf, wyders, zo van der Schelling schryft, den Boekverkooper last, om met den veiler, die de bezitter zelf niet was, in onderhandeling te treeden: en 't gevolg hier van was, dat de veiler, die voorgaf, reeds vyftig [p. 208] guldens, vergeefs voor het bloote gezigt van het oorsprongkelyke gebooden te hebben, eindelyk, tot eenen hoogen prys, een afschrift van het zelve gekogt hadt; welk afschrift hy, in persoon, zou hebben overgedaan aan Alkemade, die, volgens zyn, hier voor, aangehaald schryven, in 't jaar 1711, van den Kolyn nog niets dan dit afschrift, immers het oorsprongkelyke nog niet, gezien hadt. Dit afschrift was, schryft Alkemade, in den zelfden brief aan Eikelenberg , onoplettelyk en gebreklyk uitgeschreven, door iemand, dien ik zelf gezien en gesprooken heb, een man van groote bekwaamheid en schranderheid, dog ook van een groote lossigheid, van welken ik toen niet heb mogen verstaan, waar het oorspronkelyke gebleeven was, niettegenstaande hierover meer dan twintig brieven zyn gewisseld, die, eindelyk, in den oorlog, zoe wel als dit boek, is [lees zyn] te zoek geraakt, waarom de tegenwoordige en toekomende beminnaars des Vaderlands deze zyne daad waarschynelyk sullen verfoeyen (15). Wy zullen over dit ingewikkeld en duister berigt van Alkemade of van der Schelling thans geene andere aanmerking maaken dan dat daar in , noch de bezitter van het oorsprongkelyke, noch de verkooper [Reinier de Graaf] van het gebrekkelyk afschrift, noch zelfs de Boekverkooper [Pieter van Veer], die over den koop gehandeld heeft, met naame genoemd worden. Van der Schelling vertelt wel (16) ; dat de verkoper van het afschrift hem, van wien hy dit afschrift gekogt hadt, die nog een ander dan de bezitter van het oorsprongkelyke schynt geweest te zyn, genoemd hadt, en dat deeze naam ook gevonden werdt, in zekere Inleiding, door Alkemade ontworpen, om, voor [p. 209] zyne voorgenomene uitgaave van Kolyn , geplaatst te worden ; doch hy heeft niet geraaden geoordeeld, zelfs deezen naam aan 't gemeen bekend te maaken. 't Blykt, ondertusschen, uit een brief van Alkemade aan den Professor Antonius Matthaeus, dat hy, in December van 't jaar 1708 , nog meer niet dan dit gebrekkelyk afschrift gezien hadt. En dat hy, zelfs in 't jaar 1711. nog niet anders hadt gezien, is, uit zyn schryven aan Eikelenberg, afteneemen (17).

VI. Midlerwyl, hadt Alkemade aan deezen en genen kennis gegeven , dat hem eene Rymchronyk, ouder dan die van Stoke, in handen gevallen was. En van der Schelling zelf verbergt niet, dat sommigen, en, onder deezen, de Heer C. van Someren, Zoon van Johannes van Someren, Schryver van de herstelde oudheid of beschryving van Batavia, die toen te Gorinchem woonagtig was (18), al in 't jaar 1705, aan de egtheid van deeze Chronyk getwyfeld hadden (19).Matthaeus verzogt Alkemade dikwils , om dit Werkje eens te mogen zien. Doch dit werdt, onder verscheiden voorwendsels, altoos, geweigerd (20). Van 't begin en 't slot, nogtans, en misschien van nog eene of twee plaatsen zondt hy hem, eerlang , afschriften: en dit gaf gelegenheid, dat Matthaeus, voor 't eerst, zo ik my niet bedriege, openlyk, van Kolyn, als van een oud, egt en waardig schrift, gewag maakte, in de Opdragt van het IX. Deel zyner Analecta, welk, in 't jaar 1709, uitgegeven werdt. Hy geeft, hier, den aanvang en het slot der Rymchronyke op, zo als het hem, door Alkemade, toegezonden [p. 210] was, en betuigt zeer te verlangen, dat Alkemade dit fraaye stuk eens, eindelijk, in 't ligt geeven mogt. Doch 't gene met reden vreemd schynen mag, hy meldt ook, dat Alkemade dit Werkje bezat, Op pergament geschreeven (21); daar wy hier voor (bl. 208.) gezien hebben, dat Alkemade, in 't jaar 1711, schreef, nog niet anders van Kolyn gekend te hebben dan een gebrekkelyk afschrift, geschreeven , (vermoedelyk , niet op pergament) door iemant dien hy zelf gesproken hadt; en daar van der Schelling ons berigt, dat deeze uitschryver verhaald hadt, uit den verkooper van het afschrift te hebben verstaan dat Kolyn honderd en vyftig jaaren in deszelfs geslagt geweest was, op perkament, en dat het, by iemand van deszelfs voorouders, uit de plondering der Abtdye van Egmond, gekogt;. doch nu met den oorlog t'zoek geraakt was (22) Hoe zullen wy dit knoopen? Heeft Alkemade Matthaeus wys gemaakt, dat hy een Handschrift bezat op pergament. Of heeft Matthaeus Alkemade kwalyk verstaan, of kwalyk onthouden. Doch laat ons voortgaan.

VII. Matthaeus hieldt nog al by Alkemade aan, om meer van Kolyn te zien; tot dat Alkemade, bewoogen, naar 't schynt door het loffelyk berigt, welk de Professor, voor het IX. Deel der Analecta, van Kolyns Chronyke en van haaren bezitter gegeven hadt, eindelyk, beloofde, hem een afschrift van zyn afschrift te zullen toeschikken, gelyk hy, in 't begin des jaars 1710, deedt. Hy hadt dit afschrift, met zyne eigene hand, gemaakt. [p. 211] Matthaeus hielde het, tot aan zynen dood, die, in 't zelfde jaar 1710, den vyf en twintigsten Augustus voorviel (23), onder zig. Alkemade verzogt toen zyn afschrift te rug. Men antwoordde, dat 'er na gezogt zou worden: en, eindelyk, werdt hem gemeld, dat het niet te vinden, en waarschynlyk, in een pakket, onder de boeken van den Professor verkogt geworden was (24). My is niet bekend, dat 'er, in eenige jaaren na dien tyd, van Kolyn , in openbaaren druk, gewag gemaakt is. Doch Gerhard Dumbar, Secretaris der Stad Deventer, beslooten hebbende, in navolging van Matthaeus, eenige Analecta uit te geeven, plaatste Kolyns Chronyke in 't eerste Deel derzelven (25), welk, in 't jaar 1719, uitkwam, zonder eenige ophelderende aantekeningen, en zelfs zonder ergens te melden, van waar hy het handschrift, waarnaar deeze uitgaave geschiedde, bekomen hadt. Hy noemt het Werkje (26), in de Opdragt, alleenlyk zeer raar en overoud, en hy zegt, dat het met regt, onder de eerste en beste Schriften over de Hollandsche geschiedenissen geteld mag worden (27). En van dien tyd af, werdt Kolyn, by veelen, met agtinge, aangehaald. Henrik van Rhyn was een van de eersten, die 'er, in zyne Aantekeningen op Hugo van Heussens Kerkelyke Oudheden van Kennemerland, welken, in 't jaar 1721, het licht zagen, dikwils, met lof van gewaagde (28).De Professor Henrik Cannegieter [p. 212] noemt, in eene verhandeling, die, in 't jaar 1734, uitkwam [Dissertatio de Brittenburgo*], Kolyn een overoud en getrouw Schryver; haalt hem, dikwils, aan , en verlaat 'er zig op, in berigten, welken, by geene andere bekende oude Schryvers, gevonden worden (29). Geen wonder, dat Mr. Gerard van Loon en anderen, na Cannegieter, Kolyn voor egt gehouden en gebruikt hebben.

*[NB. Gerard van Loon trad op als uitgever van de dissertatie van Cannegieter]

VIII. Doch, midlerwyl, hadden Alkemade en van der Schelling, die voorgegeven hadden, aan eene uitgaave van Kolyn te arbeiden, ongaarne gezien, dat zy door Dumbar, voorkomen waren. Te meer, om dat zy vaststelden, dat hy zig bediend hadt van het afschrift, door Alkemade, aan Matthaeus toegezonden, en, na zyn dood, vermist, zonder aan Alkemade de eer van de ontdekking deezer Chronyke, welke hy zig aanmaatigde, ergens, te geeven. Van der Schelling schreef, al in 't jaar 1726, dat van Alkemade Kolyn ontdekt, en aan Matthaeus een Kopy gezonden had, die, na zyn overlyden, in andere handen geraakt was (30).En, in 't jaar 1745, gaf hy, in een aantekening op zyne uitgaave der Rynsburgsche Oudheden van Adriaan Pars (31), klaarlyk, te kennen, dat in Dumbars uitgaave, het afschrift, door Alkemade, aan Matthaeus gezonden, met al de gebrekkelykheden en hiatus (gaapingen), die 'er in gevonden werden, grootendeels, gevolgd was (32); terwyl hy verklaarde, nog voorneemens te zyn, om, met behulp der aantekeningen van Alkemade , die, reeds in 't jaar 1737. overleeden was (33), haast eene nieuwe uitgaave van Kolyn onder de Drukpers te brengen. Van Loon was egter de tweede, die hem voorkwam, [p. 213] geevende, kort na dat van der Schelling de Oudheden van Pars uitgegeven hadt, en nog in 't zelfde jaar 1745, eene tweede en zwierige uitgaave van Kolyn in 't licht, zonder dat hy egter eenig nieuw handschrift magtig geworden; maar genoodzaakt geweest was, de uitgaave van Dumbar, eeniglyk, te volgen. In't voorberigt, geeft hy, nogtans, te kennen, dat Dumbar Kolyns geschreeven Chronyk, niet, op de verkooping der Boeken van den Professor Matthaeus, gekogt, maar uit Braband bekomen hadt: 't welk waar kon zyn, al ware zyn afschrift het zelfde geweest, welk, eertyds, aan Matthaeus geleend geweest was. Van der Schelling hadt ook nergens geschreven, dat Dumbar zelf Alkemades afschrift, op de verkooping van Matthaeus Boeken, gekogt hadt. Wy laaten ons, wyders, niet uit, in een verslag van den twist, die, over van Loons uitgaave, tusschen hem en van der Schelling, ontstaan is. Wy merken alleenlyk aan, dat van der Schelling, in den loop van dit geschil, gedrongen door van Loon (34), wel niet duidelyk geschreeven, maar zig egter zo uitgedrukt heeft, als of hy wilde doen gelooven, dat Alkemade nog voor deszelfs overlyden, of hy, naderhand, het oude, waare Handschrift van Kolyn bekomen hadt, en dat hy 't nog bezat. Zyne bewoordingen, die wy aan den voet deezer bladzyde aanhaalen (35), zyn egter zo ingerigt, dat hy, uit kragte derzelven, niet [p. 214] zou konnen gedrongen worden, om dit oude, waare Handschrift immer, te vertoonen. Ook beroept hy, om den regten naam en titel van Klaas Kolyn te bewyzen, zig, op eene andere plaats van het zelfde werk (36), alleenlyk, op een Kopy van Kolyn, die hy bezat, en die toen, (in 1746), omtrent vyftig jaaren oud, en dus, ongetwyfeld, dezelfde Kopy was, die Alkemade voorgegeven hadt, omtrent den aanvang deezer eeuwe, van zekeren ongenoemden kwant, die 'er zelf den uitschryver van was, gekogt of overgenomen te hebben. Maar wie ziet niet, dat zyn bewys veel beter geklemd zou hebben, zo hy 't, uit het oude, waare Handschrift van Kolyn hadt konnen ontleenen ?

IX. Wat Dumbars uitgaave betreft; zy is, naar alle waarschynlykheid geschied, naar het afschrift, door Alkemade gemaakt, en aan Mathaeus toegezonden; 't zy hy het, op de verkooping van des Professors Boeken, hadt laaten koopen; of dat hy, na dat het, aldaar, door een' ander' gekogt was, uit Brabant bekomen hadt, gelyk van Loon geschreeven heeft (37). Want, indien hy een ander afschrift gehad hadt, zou hy 't, aan sommigen, immers, aan van Loon, met wien hy briefwisseling hieldt, wel eens vertoond hebben ; waar van egter niets gebleeken is. Hy zou het ook, in eene Opdragt of Voorreede zyner Uitgaave, hebben verhaald, om dus het vermoeden te voorkomen, dat hy een gebrekkelyk afschrift, en dat, naauwlyks, tien jaaren oud was, gevolgd hadt. Doch dit is al mede niet geschied. Alkemade was wel meer gewoon, afschriften, met zyne eigene hand, van het afschrift, welk hy zeide gekogt te hebben, te maaken, en aan deezen en genen uit te leenen. Immers, ik weet, dat wylen de [p. 215] Heer Frans Van Limborch, Advokaat Fiskaal van 's Lands Domeinen , zulk een afschrift van Alkemade ter leen gehad heeft, waarin twee gaapingen, die, in Dumbars, en zelfs in van Loons, Uitgaave, gevonden worden, zyn aangevuld (38). De Heer Professor Petrus Burmannus Secundus bezit een geschreeven Kolyn , waarin deeze zelfde aanvullingen, en nog een of twee meer, gevonden worden (39). Evenwel, houd ik [p. 216] dien voor zeer jong, en gemaakt, lang na Dumbars, en mogelyk na van Loons, uitgaave. Dumbars uitgaave is 'er, doorgaands, in gevolgd, ook met de misslagen (40); schoon 'er, hier en daar, verschil in de spelling, en zelfs, in sommige woorden, ingevonden wordt. Het afschrift, waarvan wy spreeken, en 't welk, te vooren, niet in zulke goede handen geweest is, is vyf en dertig bladzyden groot, als menze telt; en, met tweederlei gemaakte handen, geschreeven op inlandsch papier van 't merk het gekroonde Amsterdamsche Wapen, en, naar het oordeel van kundigen, niet zeer oud. De voorige bezitter wilde doen gelooven, dat Henrik Laurensz. Spiegel [1549-1612] dit afschrift gemaakt hadt, en hadt 'er, ten dien einde, een proefdrukje van zyn afbeeldsel, zo als het, voor de laatste Uitgaaven van den Hertspiegel [1614]gevonden wordt, voor geplaatst. Doch zo Spiegel Kolyn gekend hadt, zou hy zo lang niet onbekend gebleeven zyn. Spiegel kon ook, na 't onderschrift der Chronyke; 't welk hier, met verkortingen, geschreeven is, en luidt: Escriptum of Conscriptum est per manum Nicolai Colini in hegmunt, niet schryven, gelyk hier, met de zelfde hand, als het laatste en grootste gedeelte van het Chronykje, gelezen wordt: 't welk ik meene dat te zeggen is, geschreeven met de hand van Nicolaus Colinus tot Egmond.Op bl. 18 slaat nevens de woorden

Tideric - - - -

Ti darde Greva gebooren,

op den rand, ook al met dezelfde hand, by anderen de 4de, 't welk al mede [p. 217] de jongkheid van dit afschrift bewyst. Wy behoeven 'er ons dan niet verder mede te moeyen, en gaan nu over, om in de tweede plaatse te toonen, dat 'er veele en gewigtige redenen zyn , om Kolyns Chronyke niet voor egt te houden.

X. 1. De naam van Klaas Kolyn is egter niet t'eenemaal onbekend geweest, hier te Lande. In den loop der Hoeksche en Kabbeljaauwsche onlusten, ontstondt'er een geweldige twist tusschen eenige Edelen, aan welker hoofd zig bevondt Filips, Zoon van Dirk van Wassenaar, Burggraaf van Leyden, en de Burgery dier Stad, die op huisstormen en doodslaan uitliep. In deezen twist, hadt zig, aan de zyde der Burgeren, gestoken zekere Claes Colyn, die geduurende het houden der vermaarde Paardenmarkt te Valkenburg (41) doodgeslaagen werdt. Doch deeze Claes heeft geleefd twee eeuwen na den tyd, waarin onze Rymchronykschryver zou geleefd hebben , gelyk, uit zekere uitspraak van Hertoge Albrecht van den twaalfden May des jaars 1381, af te neemen is (42). Men kan, nogtans, den naam des zoogenaamden Chronykschryvers, ligtelyk , uit dien van deezen gesneuvelden Claes Colyn ontleend hebben. En 't verdient, veelligt, eenige opmerking, dat, in deeze zelfde uitspraak, juist drie Heeren van Alkemade, Jan, Willem en Alter, genoemd worden; en dat onze Kornelis van Alkemade, die, zo wy meenen, verstondt, uit deezen adelyken huize, afkomstig te zyn, dit oude stuk zeer wel kan gekend, of 'er een afschrift van bezeten hebben. Doch wy geeven dit niet hooger op dan voor eene bloote gissing. De Chronyk werdt, ondertusschen, zodra niet bekend, of eenigen twyfelden aan derzelver egtheid, gelyk wy hier voor (bl. 209.) gezien hebben. [p. 218] De twyfeling verdween egter, allengskens, by de meesten. Omtrent den jaare 1740 vernam ik, voor 't eerst, dat 'er, by eenigen, nog aan getwyfeld werdt: doch het gezag van verscheiden geleerden bevestigde my, in 't gevoelen der meerderheid, tot dat ik, eenige jaaren laater , verstondt , dat de Heer Balthazar HUYDECOPER, toen reeds bezig met het maaken van aantekeningen op de Rymchronyk van Melis Stoke, Kolyn, als een nieuw, verdigt stuk, verwierp. Dit bragt my tot nader onderzoek. Ik bevond, welhaast, dat de taal van den zogenaamden Kolyn , t'eenemaal , verschilde van de taal, die, in de twaalfde eeuwe, hier te Lande, geschreeven werdt; gelyk de Heer Huydecoper, sedert, uitvoeriglyk , getoond heeft. De Ouden schreeven, by voorbeeld, sende; Kolyn zant de ouden hier; Kolyn hi: de ouden die; Kolyn ti: de ouden predicti, voor predikte hy; Kolyn preecte i: de ouden e-wi-et, in drie greepen, voor gewyd; Kolyn, in twee greepen, ewiet: de ouden hone, voor hoen; Kolyn hoen: de ouden sins, sines of zyns; Kolyn sin en zin: de ouden haerre moeder zuster; Kolyn irren mouderes zusteren: de ouden Heer en Haere; Kolyn Here: de ouden twint, in de betekenis van zier; Kolyn twint, als thans de Kinderen spreeken in de betekenis van twintig. Almaengen is , by de ouden, het Land der Allemannen, Alemannia, in 't Latyn; by Kolyn is Allemangen de naam niet van het Land; maar van de bewooners (43). Daar de ouden der syt gewis schreeven, schryft Kolyn dat zyt gewis (44). Kolyn schryft sinna voor zonder; murch, voor moeras of modder (45); dat men, by de ouden [p.219] niet ontmoeten zal. Hy gebruikt ook onduitsche woorden, gelyk coustume, elders Kostumen en Condise (46), die men, by de ouden, niet ligt zal aantreffen. Hy bedient zig, meermaalen, van plompe hedendaagsche uitdrukkingen; gelyk gebruut of gebruid; geklopt, voor geslaagen-, van een Leger spreekende (47). Hy zegt, dat Vrouw Geertruid iemant behoefde, dieze stuwde, dat is, merkt de Heer Huydecoper aan, dieze dreef, gelyk men de Kalveren en Varkens doet, omze voort te krygen (48). Wat dunkt ons ? Bewyzen zulke voorbeelden niet, dat de Chronykschryver de taal van den tyd en van het Land, waarin hy gehouden wilde worden geschreeven te hebben, niet verstaan heeft, en maakt zulks zyn schrift niet zeer verdagt van onegtheid ? Wy willen, nogtans, niet ontveinzen, dat men van de meesten deezer taalgebreken reden zou konnen geeven; indien men, anders, eenig goed bewys yoor de egtheid onzer Chronyke kon te berde brengen. Men zou dan, mogeIyk konnen zeggen, dat wy weinig Nederduitsch schrift hebben van de twaalfde eeuwe; dat 'er, in honderd jaaren tyds, merkelyke verandering in de taale komen kan; dat Kolyn, veelligt, een bovenlander geweest is, die vry wat hoogduitsch of westfaalsch, onder zyn nederduitsch, heeft konnen mengen; dat ook veele taalgebreken, in zyne Chronyke, mogelyk, minder aan hem, dan aan de misslagen der uitschryveren te wyten zyn, enz. Doch zo lang ons alle bewys voor de egtheid van dit stukje ontbreekt, klemmen zulke redenen luttel. Wy hebben, daarenboven, verscheiden andere redenen, die ons aan de egtheid van deeze Chronyke moeten doen twyfelen. Laat ons haar, om dit klaarlyk te zien, eens, van nader by, beschouwen. [p. 220]

XI. 2. De zogenaamde Klaas Kolyn geeft voor, geleefd te hebben ten tyde van Graave Florens den III., die, van 't jaar 1157, tot het jaar 1191, geregeerd heeft. Hoor hem zingen (49):

Nu keren wi weder gelick
Totten Greve Tiderick.
Das Greefschap Hollant gelagen
Unde bericht , unse dagen ,
Billicke unde nawens,
Adel heare Greve Florens ,
Is ein Stik van Frieslant voren
Gewesen,

Ook spreekt hy, somtyds , van dingen, die, lang voor den tyd van Florens den III. gebeurd waren, als of hyze, alleenlyk, uit mondeling verhaalen, wist. Van Diederik den III. , by hem den II. , gewaagende, zegt hy (50) :

Ic heb verstaen al voirwaer,
Dat hi stierde XLVI. jaer.

En van den Scheepsstryd voor Ysselmonde, in 't jaar 1076, melding maakende, drukt hy zig dus uit (51):

Biscop Koenraad [Koenraed] wurde gewant
En gevaen , zo men mi zeyde.

Doch hy spreekt wederom van veel laater gebeurtenissen, als of hyze, in geschiedschriften, gezogt, of gevonden hadt. In deezer voege, meldt hy, by [p. 221] voorbeeld , de Dood van Vrouwe Petronelle, de Weduwe van Florens den II (52),

Ente starf ave overwaer

XIc en XLIII. jaer,

Ente laghet te Rinsborch begraven,

Date zi vele gaven

In hoire tiden ane gaf.

verder vinden wi ni daer af.

Onmiddelyk daarna,

Tideric kwam an den berichte
Na zinen Vader als ti geschichte
Ons zeggen vanne dese tied.

Wat verder (53),

Dese Tideriek vinde ic af,
Dat i tot ons Heren graf;
Mit groeter gere is gevaren,
Als men onses Heren jaren

XIc en XL. schreef.

In nog verder (54),

Hadde ien wyve ti Sofie hiet,

Ti was, als men beschreven ziet,

's Palsgreven Dochtere [Dochter] van Rine.

[p. 222] Maar wat waarschynlykheid heeft het, dat 'er van deeze dingen reeds vry wat geschreeven zou zyn ten tyde van Florens den III.? En is 't niet veel eer te vermoeden, dat de Schryver hier vergeten heeft, in wat tyd hy wilde gehouden worden , geleefd te hebben ? Nog meer. Onze Kolyn geeft, in den aanvang zyner Chronyke, voor, dat hy gebruik gemaakt heeft van oude boeken, die in t Klooster te Egmond, bewaard werden: en op eene andere plaats (55), schynt hy te kennen te geeven, dat hy aldaar iet uit de aloude gezangen der Barden nageschreeven hadt (56). Maar, indien dit waar is; van waar komt het dan, dat Melis Stoke , uit die zelfde boeken en gezangen niets aangehaald heeft ? Of warenze, in zynen tyd, reeds allen t' zoek geraakt ?Hoe komt het, vooral, dat Kolyn ons, uit de oudere boeken en gezangen volstrekt niets verhaalt, dan 't gene wy reeds, uit Strabo, uit Caesar, uit Tacitus, en anderen, wisten, en 't gene men by Dousa , by Scriverius , en by andere laatere Schryvers, leezen kan ? Of heeft hy, in eenig oud boek, gevonden, dat Claudius Civilis reeds den Hollandschen rooden Leeuw, in zyn Schild, of op zyn Standaard, voerde, gelyk hy , dwaaslyk, schryft (57) En is 't niet veel waarschynlyker, dat de opsteller deezer Chronyke met eene kennis van oude boeken en geschriften heeft willen pronken, die hy niet gehad heeft, noch konde hebben, en dat zyn werk van veel laater' tyd is, dan hy ons wil doen gelooven ?

XII. 3. Wy zullen in dit vermoeden kragtiglyk bevestigd worden , als [p. 223] wy de Rymchronyk van Melis Stoke met de Rymchronyk van Klaas Kolyn vergelyken; wanneer blyken zal, dat Klaas Kolyn, of de Schryver, die zyn' Persoonaadje heeft willen speelen, Melis voor zig gehad, en dikwils uitgeschreeven, heeft; en, gevolgelyk, geene eeuw voor Melis, kan geleefd hebben. Wy zullen, om dit te doen zien, de woorden van beide de Chronyken, zo alsze, in eenige voornaame plaatsen, al in den aanvang, voorkomen, en reeds, door den Heere Huydecoper, aangeweezen zyn, in twee Kolommen, nevens elkanderen stellen:

MELIS STOKE,

In Huydecopers uitgaave,

B. I.

vs

41. Oude Boeken horic ghewaghen

Dat al tland, beneden Nimaghen,

Wilen Neder Zassen hiet,

----

76. Die Neder Zassen heten nu Vriesen.

KLAAS KOLYN,

by DUMBAR en VAN LOON,

vs.

164. [162] Alte bouken ons verkonden

137. [136] Tussen maar Zee ende Nymagen

139. [138] Al die Goyen [gouen] heten Neersassen

144. [143] Namaels hite Frieslant by name

94. Jnt carnacion ons Heren

Ses hondert neghentich ende viere

Doe sende hi inden lande sciere

Willebroerde, de eerste bekeerde

Die Vriesen en gheloven leerde.

Tote Westcappel dat hi quam

Daer hi aenbeden vernam

Mercuriuse over enen God

Dat beelde, doer ons heren ghebod

Brac hi en hevet tfolc ghescouden:

Maer dat hevet hi swaer ontgouden.

Want een die Mercuriuse wachte

Sloeghen in syn hoeft onsachte,

Dat hi storte daer sijn bloet.

Nochtan predicte hi metter spoet

Twoert ons Heren, als gods Seriant

Vanden Westende van Vrieslant

Oestwaert duer de lande recht

Onthier en[de] hi quam Tutrecht

Dat Wiltenborch hiet te voren

De afgode dede hi te storen

En[de] maecter ene kerke mede

Misse te horen den Kerstinede,

En[de] daer toe ons Heren woert.

En[de] wanten te Romen in de poert

Sergius de Pauwes benediede

En[de] hine Aertsche bisscop wiede

Te prediken ons Heren woert,

Sette hi Tutrecht in de poert,

Den bisscop stoel en[de] besat

Als Aertsche bisscop, eerst de stat,

En[de] noyt seder over een

Ne was daer Aertsche bisscop geen

Jnghels was Willebroert becant

Gheboren van Noorthu[m]bert lant.

En[de] want de Ingels syn gewassen,

Als men leest, van Neder Zassen,

Conste hi de bet de Vriessche tale

Dat mach elcman proeven wale.

vs. 382. [380] - dat Kerstelike gelove.

Als hun Gode van boven
Gepreket van Sint Willeboert [Williboert;]
;
Ti Pippyn,
alse hi hoert
Zant in borenes ons Heren
Ses hondert en negentieh [negentich]viere
Ti Friesen
goede te doen kont.
Totte Weskaple
hy vont
Ein Godse Wodin aanbeden
Mercuriose na heydense zeden:
Den i brac unde [t]erstont
Wurde i swarelike wont [wort zwarelike gewont]
Van ti Mercuriose wachte.
Efter preekte i mit krachte
Oestwaert onsen Here te recht

Ente quam al to Utrecht
Storen ti Godsen onverholen
Alsse Paus Serges
hadde bevolen;
Ti em Aersbiskop hadde ewyet.
't Utrechten
i liet
Zynen stoel ende bekeren [bekere]

Vele luden t' onsen Here.
Angels uten Nedersassen was
Van Northumberlande,
das
Ons tie schreften laten horen
Sinte Willeboerd
geboren.
Ente preekten zy te mael [maal]
Gode in ti Friese taal.

vs. 149.

--- de bisscop Wolfram

En[de] in Vrieslant dat hi quam

Prediken niet als de blode

So dat hi den Hertoghe Rabbode

Van Vrieslant so hevet belopen,

Dat hi hem Kerstyn wil doen dopen;

En[de] was ter vonten komen

En[de] hevet den enen voet ghenomen

En dien inde vonte gheset.

Doe vraghedi eer hi voert ginc bet,

Weder dat sine vorders waren

Meer onder der saligher scaren

So inder hellen ghevallen neder ?

Sente Wolfram antwoerde weder

Dat sine maghe waren verloren

De Heidyn storuen daer te voren.

Rabbout sprac: Soen mach ic niet

Mier gheselscap, wats ghesciet,

Jn der hellen niet begheuen,

En[de] metten lettel aermer leven

Jn hemelrike, sonder waen,

Die mi een twint niet en bestaen

Uter vonten hi den voet wt toech;

Ente duvel, diene verdroech,

Die hem viele goets behiet,

Ne hilt hem vorwaerden niet;

Want hi starf op den derden dach

En[de] voer daer hi sine maghe sach.

vs. 257 [227]

Adgilt berichte ti Friesen;
Ende na hem ti verrisen
Radebolt
; ti onsen Here [Heren]
St. Wolfram
wilde bekeren.
Ende lieten [lietet] zo belopen,
Offen [offe em] wilde laten dopen:
Mer wen i sien voete plonte
En ti ander in te fonte
Zetten wolde; sprak i myn,
Zeg mal weer min Atteren [Alteren] zyn,
In ti himmelum, of weder
In ti hol gevaren neder ?

Wolfram antwoerde hem, das
Al wie ongekerstent was
Storven wisselic verloren.
Wal sprac i, ix [ic] laets u horen,
Das ix [ic] by das meerder erven
Van mien Alteren, na mien sterven,
Dan wil wisen vry van schanden,
In Wodins over zelige landen;
Ten mit luttel armen Christen,
Ti my ... intich nimmer wisten.
Uten fonten is hy toghen, [getoghen]
En tum derden daghe gedroghen
Gravewaerts, om sien gesellen
Zien en spreken in den hellen.

vs. 371

Syt des seker ende ghewes,

Dat de Graefscap van Hollant es,

Een stic van Vrieslant ghenomen.

523. Dat sinen Graefscappe laech ghelaghe,

Tusschen ---

vs. 412 [410]

Das Greefschap Hollant gelagen

Unde berichte unse dagen,

Billicke unde na wens

Adel heare Greve Florens,

Is een stik van Frieslant voren

Gewesen, ---

Vs. 415.

Dat wi den Grave Dideriks,

Onsen Ghetrouwen sekerlike,

Souden gheven een Foreest,

Dat in dat Graefscap is meest,

En Wasda bi namen heet;

470.

In sinen tiden eist ghesciet,

Dat sinte Aelbrecht was vonden

Bi ere Nonnen --

1152.

Ghertruut sach wel, dat soe breke

Helpen hadde, ---

1158.

Hier men doe, als ict vernam,

Grave van Vrieslant --

1316.

Nochtoe was Hollant verloren.

B. II. vs. 19

En wan met scepe den wych mede.

446.

En voer ten langhen levene.

Begraven was hi t Egmonde,

Vs. 520. [518]

Dat zi voegen zoude mede

Wada dat Foreest

In haer mogenthede 't meest

Aen zin Graefschepe als voren

Vs. 527 [525]

In zin tide [tiden] wiert gevonnen

Dat lyk Aelbrechts van eine Nonne,

Vs. 940-. [938]

Ende want zi behoefde troist

Ende helpen ---

Vs. 949. [947]

Hietmen van Frieslant Grave.

Vs. 995. [993]

Tot noch was Hollant soder zyne

Heare ---

Vs. 1012 [1010]

Diederick wast, ti de wyge wan.

Vs. 596 [594]

Is gevaren ten lange leven

Tot Hegmondt, daer i ter uutvaert

Isse gelegt en begraven.

[p. 226] In alle deeze plaatsen, ziet men zulk eene blykbaare navolging van Stoke, dat men, naauwlyks, twyfelen kan, of Kolyn heeft hem voor zig gehad, terwyl hy schreef. Hy heeft wel eenige poogingen gedaan, om zig te verbergen; doch de aap kykt overal den mouw uit. Wie ziet niet dat nochtan, in efter; in sinen tiden, in in zin tide; vonden, in gevonnen; dat soe breke helpen hadde, in want zi behoefde troist ende helpe te veranderen; en 't woord wych te bederven tot wyge, meer strekt om het bedrog te ontdekken, dan om het, ware 't mogelyk, te bewimpelen ? Men voege hier by , dat Kolyn woorden van Melis gebruikt, die zeldzaam voorkomen, en om welken hy, naar alle waarschynlykheid, niet zou gedagt hebben, zo hy Melis niet had naargezien: gelyk zyn, aenbeden; wachten, voor bewaaren; belopen, en anderen. Zelfs ontleent hy (vs. 522. [520.]) Melis de rymlap meest, waaraan, naauwlyks, eenige zin te geeven is; omdat hy niets anders op Foreest heeft weeten te rymen: Somtyds, volgt hy Melis ook, zonder hem te verstaan. Noch toe, 't welk toen nog betekent, vat hy (vs. 995. [993.) op in den zin van tot nog toe. En met het woord twint, dat zo veel als zier zeggen wil, heeft hy geheel geen' raad geweeten. Hy schynt 'er twintich van te hebben willen maaken, gelyk men leest, in het afschrift, hier voor (bl. 215. Aant. o) vermeld; doch ziende dat dit woord niet te pas kwam, heeft hy de twee eerste letters weggeworpen, en, tuscchen 't voorgaande woord en den staart intich, eene kleine gaaping gelaaten. Van Loon geese intich, zonder gaaping, en verklaart het iet, zonder eenig bewys. Zeer aanmerkelyk is 't, dat Kolyn zelfs eene misrekening van Melis, van tien of negen jaaren, [p. 227] onbedagtelyk , naschryft : te weeten , in de drie eerste uitgaaven van Melis, niet in de voorhanden zynde Manuscripten , leest men, dat Florens de.Il., in 't jaar 1122, gestorven is , en dat Diderik de VI. , die hem onmiddelyk opvolgde, na eene regeering van 45 jaaren, in 't jaar 1157. overleedt; Kolyn vertelt dit juist zo, zelfs volgens het handschrift, waar van wy , hier voor (bl. 215.) gewaagden, met de geringe verandering van 1157. in 1156., om dat het zo in 't rym te pas kwam (h). Maar zo de zogenaamde Kolyn, Melis gebruikt en gevolgd heeft; dan is hy zo oud niet, als hy voorgeeft, en een Verdigt schryver.Want wy konnen niet denken, dat iemant, ligtelyk, Melis voor een' uitschryver van Kolyn houden zal; en meenen dat dit de oorzaak is van de overeenkomst, die tuscchen de twee Chronyken bespeurd wordt. Melis verklaart immers, uitdrukkelyk, dat hy, in de oudste geschiedenissen , eene Latynsche Chronyk gevolgd heeft. En die Chronyk is nog voor handen. Men kan 'er uit zien, dat Melis de waarheid verklaard heeft. Daarenboven, verschilt Melis overal van Kolyn waar deeze iets byzonders heeft. Kolyn plaatst, by voorbeeld, maar n' Diderik voor Arnoud; Melis twee. Melis stelt den bekenden Giftbrief van de Kerk te Egmond op 't jaar 863., en schryft hem Karel den Kaalen toe; Kolyn houdt Karel den Simpelen voor den Schenker, en 't jaar 923. voorden tyd der gifte,en brengt, daarenboven , een brief van 't jaar 922. te voorschyn, daar, noch by Melis, noch by iemant anders, eenige melding van gevonden wordt. Zou Melis Kolyn gevolgd hebben, en zulke gewigtige byzonderheden, stilzwygends, voorbygegaan zyn ? Neen. Kolyn heeft Melis gevolgd, en is, derhalve, jonger dan deeze.

XIII. 4. En zo wy de treden van deezen Chronykschryver verder nagaan, [p. 228] zullen wy bevinden, dat hy veel, en mogelyk verscheiden eeuwen, jonger is dan Melis. De Heer Huydecoper schroomt niet, Kolyn te noemen een' onbeschaamden beuzelaar (58) en een jongen bedrieger, die zynen gladden kin met en gemaakten gryzen baard bedekt hebbende, meende gehoord te zullen worden als een oud man; even als de ezel, die een leeuwenhuid aangedaan hadt (59). En hoe jong hy hem aanzage, mag men, uit eene andere plaats (60) , afneemen, waar hy Kolyn daarin oprecht noemt, dat Robrecht [de Vries] of, gelyk hy schreef, Robbregt, in zynen tydt, die niet lang geleeden is, genoemd wierdt Robbert. En wanneer wy zien, dat hy de aanhaalingen en gissingen van Scriverius, die, in't jaar 1660. overleeden is, overal, daar't hem te pas kwam, naargeschreeven en bevestigd heeft, zal men, naauwlyks, twyfelen konnen, of de vermomde Klaas Kolyn heeft, na Scriverius, geschreeven (61), en zyne rymen, uit het onrym van deezen geleerden, opgesteld. Uit Scriverius (62), heeft hy geleerd, dat 'er Barden geweest zyn, die met sangh ende liedtjens de vrome daden ende de gheschiedenissen verkondichden. Scriverius tekent uit Strabo aan, dat Rhamis, Dogter van Veromir, Koning der Batavieren, met Sesithak, Zoon van Segomir, Koning der Cheruscen, getrouwd geweest is: en dit vindt men, met eenige verbastering der eigen naamen , ook juist by onzen Chronykschryver (63). Van Julius Paulus en Claudius Civilis weet hy pas zo veel als hem Scriverius (64), en een vertaalde Tacitus, hebben konnen lee- [p. 229] ren (65), t Gene hy van Hengist en Horsa vertelt (66) vindt men ook al by Scriverius (67). De Giftbrief der Kerke van Egmond, die alle oude Schryvers, en zelfs een of twee oude Handschriften, op het jaar 863, stellen, meent Scriverius (68) dat, in 't jaar 923., gegeven is: en zulks is ook juist het gevoelen van onzen vermomden Kolyn, die den brief op het jaar 923. plaatst (69); schoon hy de voorzigtigheid gehad heeft van 'er slegts een kort uittreksel van te geeven. Te weeten, Melis hadt den brief reets geheel berymd, en, als Kolyn zulks k ondernomen hadt, zou de navolging te blykbaar geweest zyn. Veiliger vondt hy 't een brief van 't jaar 922., die niemant ooit gezien hadt, of nog gezien heeft, op rym te stellen (70). Scriverius vermoedt, na Dousa, dat Diderik de I. een Zoon van Gerolf geweest is (71). En onze Rymer vertelt juist hetzelfde (72), 't Gene hy van Diderik den III., Diderik den IV., Florens den I., Vrouwe Geertruid, Robrecht de Vries, Godevaard den Bultenaar, Diderik den V., Florens den II., Vrouwe Petronelle, en Diderik den VI. verhaalt, wordt voor ver het grootste gedeelte gevonden of in het oud Batavien, of inde Leevens der Graaven. van Scriverius. - En mag men nu niet vraagen, of een Schryver, die, door den gantschen loop van zyn, werk eens is met Scriverius; die met Scriverius overeenkomt, in 't geene deze geleerde man, over onze oude Graaflyke- [p. 230] Historie, gegist heeft; ja, in zulke gissingen zelfs, die hem in 't byzonder eigen zyn, niet moet geagt worden na Scriverius geschreeven te hebben? En zo de vermomde Kolyn zulks gedaan heeft; kan men dan nalaaten, zyn schrift, met den Heere Huydecoper onder de jonge verdigte Schriften, te tellen ?

XIV. 5. Men voege hier nu nog, eindelyk, by, dat niet blykt, dat iemant ooit verklaard heeft een oud Handschrift van Kolyns Rymchronyke gezien te hebben. Door een oud Handschrift, versta ik geen handschrift van de twaalfde eeuwe, den tyd, waarin Kolyn zou geschreven hebben ; maar, ten minsten, een Handschrift van de vyftiende, of zestiende, of zelfs van 't begin der zeventiende eeuwe. En my is niet bekend, dat iemant ooit gezeid heeft, zulk een handschrift te hebben gezien. Alkemade zelf, die veel met zynen Kolyn scheen op te hebben, heeft zulks, zo ver bekend is, nimmer gezeid, -noch geschreeven. Hy sprak wel van een afschrift, gemaakt door iemant, dien hy gezien en gesprooken hadt; maar naar een ouder en beter Handschrift bleef hy nog zoeken (73). Van der Schelling schryft, in 't jaar 1746, dat hy een afschrift bezat, welk omtrent vyftigjaaren oud was (74); doch hy verklaart, in zyne Schriften, daar 't nogtans zeer te pas kwam, nergens, duidelyk (75), dat 'er een ouder Handschrift onder hem berustte. Eer Alkemade Kolyn bekend maakte, hadt 'er niemant van gehoord. En na dien tyd, verliepen ten minste twaalf jaaren, eer Dumbars uitgaave het licht zag. Zouden de Liefhebbers, van 'sLands Oudheden, die, in 't jaar 1709, [p. 231] in in de opdragt van het IX. Deel der Analecta van Matthaeus, den lof van Kolyns Chronyke al hadden konnen leezen, niet, ernstelyk , naar een oud handschrift gevraagd, en gezogt hebben ? En, zo zy 't hebben gedaan, is het te vermoeden, dat zy 't niet zouden gevonden, of 'er ten minste niet iet van gehoord hebben, indien 't immer in wezen geweest ware ? Alkemade en van der Schelling hebben 'er, zo zy voorgeeven, zelven naar gezogt, en zy zeggen nergens, dat hun zoeken niet t' eenemaal vrugteloos geweest is. Zy berigten ons, dat het oude en egte Handschrift, uit de plondering der Abtdye van Egmond, gekogt zynde, in 't begin deezer eeuwe, reeds honderd en vyftig jaaren, in 't geslagt van den Kooper bewaard was geweest (76). Bor (77) en Meteren (78) verhaalen, 't is waar, dat Brederodes afgedankte knegten, in de Lente des jaars 1567., het Klooster te Egmond beroofd hebben. Van Loon weet 'er by te vertellen, dat zy een groot getal oude met de hand geschreeven boeken, die aldaar gevonden werden, ten deele verscheurd, ten deele verstrooid, ten deele aan de huisluiden verkogt hebben: van welken zy, voor een groot gedeelte, door zekeren Heer [Beresteyn], opgekogt, en naar Brabant gevoerd zouden zyn. Hy vermoedt, wyders, dat Kolyn , onder deeze vervoerde Schriften, geweest is (79). Doch hoe hy aan alle deeze kundigheden geraakt zy, zegt hy niet. En 't moet ons vrystaan, het voornaamste van zyn verhaal in twyfel te trekken. De knegten van Brederode, vier of vyfhonderd man sterk, deeden een' verhaasten stroop , door Kennemerland en Westfriesland, plonderende de Kloosters, en, onder ande- [p. 232] ren, de Abtdy van Egmond. Maar de Graaf van Megen zat hen zoo digt op de hielen, dat zy, te Medenblik, scheep gingen; aan den Muiderdyk wederom optraden, en, door de Veluwe en Betuwe, naar 't Kleeffche streefden, daar zy de vendels scheurden, en verliepen (80). Wat dunkt ons? Hadden deeze vlugtende Knegten tyd, om oude boeken byeen te raapen, te scheuren, of aan de huisluiden te verkoopen? Verre van daar. Zy zogten geene vermufte schriften; maar de kostelykheden, welken, in de Kloosters, voor handen waren, en den voorraad van spyze en drank, die aldaar opglegd was.Of, zo zy 't op schriften gemunt hadden, moesten zy, vooral, de Giftbrieven niet hebben agtergelaaten, welken de geleerden, naderhand, in de Archiven der Abtdye, gevonden en uitgeschreeven hebben (81). Ook hebben zy, aldaar, verscheiden Chronyken, en, daar onder, ook de Rymchronyk van Stoke, verschoond, die, sedert, gevonden, en, gedeeltelyk, in 't licht gegeven zyn (82). En zou een prullig Chronykje, als dat van Kolyn, juist waardig geweest zyn, dat het, door stroopende knegten, geroofd werdt ? Maar genomen 't was geschied; zo moet volgen, dat het, te vooren, inde Abtdy bewaard geweest is. En is dit zo; van waar komt het dan, dat het, noch door den Latynschen Chronykschryver, eerst door Sweertius uitgegeven; noch door Melis Stoke; noch door Wilhelmus den Procurator; noch door Beka of Heda, of eenigen anderen Historieschryver, die voor de tyden der plondering geleefd hadden, en eenigen van welken in de Abtdye gewoond, of toegang tot dezelve konden hebben (83) gekend, gebruikt of [p. 233] aangehaald is: 't welk, onder anderen, hier uit blykt, dat zy geen van allen iet hebben van 't gene Klaas Kolyn byzonders heeft ? Beka , die omtrent het midden der veertiende eeuwe bloeide, schryft uitdrukkelyk (84) , dat hy de Schriften, Handvesten en Brieven, die te Egmond [apud Egmundam] gevonden werden, naarstiglyk verzameld, en, eenen geruimen tyd agter een, gebruikt heeft (85). Doch hy verhaalt niets, 't gene eenigen schyn heeft vanuit Kolyn ontleend te zyn. Nog meer. Alkemade, en van der Schelling verhaalen, dat Kolyn in 't begin deezer eeuwe, reeds honderd en vyftig jaaren, in n geslagt [Beresteyn] bewaard geweest was. Zo hunne rekening naauwkeurig is, dan moet dit waardig stuk bereids omtrent den jaare 1550 in dit geslagt geweest zyn.Maar dan kan het uit de plondering der Abtdye niet gekogt wezen, die niet voor 't jaar 1567 geschied is. Doch laat ons zo scherp niet zien. Zy hebben, misschien, alleenlyk eene ruwe rekening willen opgeeven. Wy willen dan onderstellen, dat zy geene honderd en vyftig, maar honderd en dertig, jaaren gemeend hebben. Maar van 't jaar 1570 tot het jaar 1700, zyn overal, waar Nederduitsch gelezen en gesproken wordt, met naame in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, menigten van geleerden geweest, die hun werk gemaakt hebben van het naarspooren van oude schriften en stukken, dienstig tot opheldering en bevestiging van 's Lands Historie. Is het eenigszins te vermoeden, dat 'er, onder die allen, niet eenigen geweest zouden zyn, bekend aan , of zelfs vermaagschapt met, het geslagt, welk dit overoud Chronykje bezat; en hier [p. 234] door in staat, om 'er 't gezigt van te krygen; of om, ten minste, te verneemen, dat het 'er was, en wat het al byzonders inhieldt ? Immers, zo men Scriverius verhaald hadt, dat 'er eenigen van zyne gissingen, zo duidelyk, inbevestigd werden;hoe heet zou hy geweest zyn, om 'er iet meer van te weeten! Ten minste, zou hy den bezitter, in een nadrukkelyk vers, vermaand hebben, om 'er hem eenig gebruik van te gunnen, even als hy den bezitter van den Donatus van Kosters Drukkerye bezwoer om dit werk voor den dag te brengen (86). Doch, noch Scriverius, noch eenige andere geleerden, der zestiende en zeventiende eeuwe, hebben iet van Kolyn geweeten, voor dat Alkemade dit fraaye stuk te voorschyn bragt. Alle de voorgestelde redenen moeten elk onpartydigen dan, onzes oordeels, doen besluiten, of, dat de Rymchronyk van Klaas Kolyn, eerst omtrent den aanvang deezer eeuwe, verdigt is, of, ten minste, dat de oudheid en egtheid derzelve, door geene ne goede reden, beweezen wordt; en dat 'er, daarentegen, verscheiden redenen zyn, om het werkje, onder de verdigte schriften, te tellen.

XV. Vraagt men my nu, wien men dan voor den verdigter te houden hebbe; ik antwoord, dat ik, daaromtrent, weinig meer dan bloote gissingen weet voor te stellen. Terwyl de Heer Huydecoper bezig, was met het ontwerpen zyner aantekeningen op Melis Stoke, weet ik, dat hy Alkemade, als den verdigter, verdagt heeft gehouden (87). En men moet, inderdaad, erkennen, dat Alkemades handelwyze omtrent zynen Kolyn, altoos, zo bedekt en bewimpeld geweest is, dat hy zig, daar door, met reden, verdagt heeft gemaakt. Nooit heeft hy iemant het Handschrift, welk hy voorgaf gekogt te hebben, in handen gesteld, 't Is zelfs geheel onze- [p. 235] ker, of hy 't, buiten van der Schelling, ooit iemant heeft laaten zien. En hy heeft liever de moeite willen neemen van 'er eigenhandige afschriften van te maaken, en ze zynen Vrienden ter leen te geeven, dan hun 't gebruik van zyn gekogte Handschrift vergunnen. Nooit heeft hy, of van der Schelling, bekend gemaakt, van wien [Reinier de Graaf] dit Handschrift gekogt was. Nooit heeft men, uit hen, konnen te weeten komen, in welk geslagt [Beresteyn], het oorsprongkelyke, anderhalve eeuw, bewaard was geweest. Zelfs hebben zy zig nooit laaten ontvallen, waar [Amsterdam] dit geslagt gehuisvest was. Alleenlyk, doen zy ons vermoeden, dat men 't niet te Rotterdam zoeken moet, om dat zy verhaaJen, dat 'er, over Kolyns Chronyke, met den Verkooper briefwisseling gehouden is (88). Ja men heeft den naam des Boekverkoopers [Pieter van Veer], die met den Veiler van 't Handschrift gehandeld heeft, altoos zorgvuldiglyk bedekt gehouden. Waar toe diende zulk eene verregaande bedektheid, dan om Alkemade verdagt te maaken , dat hy met valsche waar ter markt kwam, en zelfs schuld hadt aan de vervalsching ? Waarom heeft van der Schelling, na Alkemades dood, en na dat Kolyn, reeds tweemaalen, uitgegeven was, alle deeze geheimen, even zorgvuldig, willen bewaaren? zou 't niet meer eer voor zynen Schoonvader geweest zyn, indien men hem anders, ten onregte, verdagt gehouden hadt, dat hy iet van dit alles aan 't gemeen hadt medegedeeld ? Maar hy heeft Alkemade laaten sterven, en is zelf ten grave gegaan, zonder de gedagtenis zyns Schoonvaders te zuiveren van eene schandvlek, die 'er nog op blyft kleeven. Men heeft zig zelfs te binnen gebragt, dat Alkemade, meermaalen , voorgegeven heeft, schriften of brieven te bezitten, welker egtheid verdagt was (89). En de Heer Huydecoper houdt een' Giftbrief van 't jaar 1199, ten behoeve der Abtdye van [p. 236] Rhynsburg verleend, voor onegt (90), waar van Alkemade het oorsprongkelyke, behoorlyk bezegeld, bezeten zou hebben (91); 't welk hy aan Joannes Franciscus Foppens medegedeeld hadt, die 't, in zyn vervolg op Miraeus (92), geplaatst heeft, gelyk het, naar een Notarieel afschrift, ook door Pars, in de Rynsburgsche Oudheden (93), uitgegeven was. Wy herhaalen niet, 't gene wy, hier voor (bl. 210 ), aantekenden, wegens een Handschrift van Kolyn, op pergament, 't welk Alkemade, zo Matthaeus schreef, zou bezeten hebben; doch 't welk nooit voor den dag gekomen is. Nogtans willen wy, met dit alles, Alkemade niet voor den Verdigter verklaaren. Mogelyk zyn 'er redenen te bedenken, die hem konnen verontschuldigen. En wy zouden hem gaarne verdedigen willen, indien zeker was, gelyk, voor weinige jaaren, uit den mond van wylen Frans van Mieris, door den Heere Gerard Meerman, verhaald is, dat de Verdigter van Kolyns Chronyke, niet Alkemade, maar Hendrik Graham, Advokaat in 's Hertogenbosch, geweest is (94), die dan het afschrift, welk Alkemade bezeten heeft, aan hem zou moeten verkogt hebben. Doch ook hier van hebben wy geene genoegzaame zekerheid. Ondertusschen kan zugt naar de eer van voor een' bezitter van oude en raare schriften te worden gehouden; of begeerte naar het voordeel, dat men zig belooft uit het venten van zyne eigene verdigtzels voor egte stukken, menschen van geen regt eerlyke beginsels, somtyds, beweegen, om valsche Schriften voor den dag te brengen. Wenschelyk is 't, dat zy 't, in deeze verlichte eeuw, nooit wederom, met zulk een' uitslag, doen mogen, als zy 't, naar alle waarschynlykheid, met de Rymchronyke van den zogenaamden Klaas Kolyn, gedaan hebben.

Noten

 

(1) Dionys. Halicarn. Tom II. p. 135, 184, 189, 320.

(2) Tertull. de Baptismo, cap. XVII. Mieronym. de Vitis illustr. Cap. XVIII.

(3) Voiez Fleury Hist. Eccl. Tom. VII. p. 16

(4) Vid. Vossius de Histor. Latin. Libr. III. cap. VIII. p.m. 609.

(5) Zie Boekzaal van W. Sewel July en Aug. 1705. bl. 51. enz. Nov. en Dec. 1705 bl. 554.

(6) Den derden Augustus des jaars 1763, in den ouderdom van vier en tagtig jaaren.

(7) Zie Algem. Oefenschools XIV Deel, No. X. bl. 404. enz. N. XII. bl. 465. enz. from the Monthly Review.

(8 ) Zie Van der Schelling HoII. Aloude Vryheid enz. bl. 456, 463.

(9) Zie 't zelfde werk bl. 620. enz,

(10) Onder aan het titelblad, staat, volgens de gewoonte der Drukkeren, die, doorgaands, een jaar voor uitrekenen, 1699. Zie Van Der Schelling Holl. Aloude Vryheid, bl. 451.

(11) Bl. 4,5

(12) Zie van der Schelling voorber. voor PARS Katw. en Rynsb. Oudheden, bl. **3.

(13) Holl. aloude Vryheid, bl. 468

(14) Holl. aloude Vrijheid, bl. 451. enz.

(15) Van Der Schelling Holl. aloude Vryheid,bl. 468.

(16) Holl. aloude Vryheid, bl. 454. met de Aant.

(17) Van Der Schelling Holl. aloude Vryheid. bl. 457, 461, 468, 469, 470, 521.

(18) Zie VAN DH SCHELLING of PARS Katw. Oudheden, bl. 474. Aamt. en bl. 510

(19) Van Der Schelling Holl. aloude Vryheid, bl. 454,

(20) Als boven bl. 456, 458,

(21) Habet eum [Colinum ] In Membrana diligentissimus ejusmodi antiquitatum indagator Cornelius ab Alckemade, quem utinam tandem edat. En wat verder, na 't opgeeven van 't begin en 't slot van Kolyns Chronyke: Excerpsit haec et submisit idem, quem dixi et cujus est manuscriptum Cornelius ab Alckemade. Florentius, cujus mentio [est], Florentius est, puto, III. Sed dici poterunt certiora, si id fiat aliquando, et utinam modo fiat ! ut Auctor, qui mendosus et lacunis ut audio, deformis, integer et incorruptus, tandem publici fiat juris.

(22) van der Schelling Holl, aloude Vryheid, bl. 452, 468.

(23) Vid. C. Burmanni Traject. Erud. p. 219.

(24) Zie Van Der Schelling Holl. aloude Vryh. bl. 460, 461 , 462, 466, 467.

(25) BI. 241. enz.

(26) Het gantsche Chronykje bestaat, uit iet minder dan twaalf honderd regels, die in Dumbars uitgaave, op veertig bladzyden , gedrukt zyn, niet op veertien, zo als men, verkeerdelyk, leest by Van Der Schelling Hollands aloude Vryheid, bl. 524, zonder dat het, in de drukfeilen, verbeterd is.

(27) Opusculum perrarum ac antiquissimum, interque primos ac optimos Rerum Hollandicarum scriptores, jure merito annumerandum.

(28) Zie de voorr. Par. III-XIII. en 't Werk bl. 454, 477, 489,492. en elders van den Druk in Octavo.

(29) Dissert. de Brittenburgo etc. p. 3, 4, 67, 68, 119, 126, 131, 132, 133.

(30) Voorr. voor 't Holl. Tiendregt. bl. 5,

(31) BI. 337 , 338 in de Aant.

(32) Zie ook Van Der Schelling Holl. aloude Vryh. bl. 521.

(33) C. Burmanni Traject. erud. p. 363.

(34) Zie zyn Voorbericht op K. Kolyn, bl. XI.

(35) Wil, vraagt hy, van Loon presumeeren, en den Leezer doen presumeeren en vermoeden, dat van Alkemade en van der Schelling, of een van buiden zoo [ontrouw of ligtgeloovig] zouden te werk gegaan hebben, net het voors. oude waare Handschrift van Kolyn, dat alleen onder hen berust heeft ? IsKolyn by ons al uitgeqeeven ? Is 'er al gelegenheid by ons geweest, om van het waare oude Handschrift gebruik te maaken publyk, en dat te vertonen? Ziealoude Vryheid, bl. 530, 531. Te vooren (bl. 527.} hadt hy geschreeven: de zogenaamde aanstaande uitgeever zal nooit verlegen of beschroomd wezen, om het waare oude handschrift, waarvan hy zig bediend heeft, en zal bedienen, aan allerlei Liefhebberen, zig des verstaaude, te vertoonen.

(36)Holl. aloude Vryheid , bl. 421.

(37) In het voorber. zyner uitgaave van K. Koyn bl. V,

(38) Vers 894, by Dumbar, zynde vs. 893 by Van Loon, (welk verschil hieruit ontstaat, dat van Loon de gaapingen niet geteld heeft) en luidende, Ti ave ti kroen van Franken, / luidde, in dit afschrift, / Ti ane ti kroen van Franken, / en daarop volgde deeze regel, / Hylickede namaals hogen. / En op vs. 1051. by Dumbar, zynde vs. 1049, by van Loon, en luidende, by Dumbar, / Sprak mit dollen en arren moe (by van Loon moede) / volgde, in het afschrift, / Dit geeve my God daertoe.

(39) De gaaping na vs. 158, by Dumbar, zynde vs. 157, by van Loon, en luidende, / Hat ie ix [ie ic] voor overwanen [overwaren] / is, in dit afschrift, aangevuld, / Als die zolkes hab ervaren, / en de aangehaalde regel luidt daar, / Hat ix ia voor overwaren,

vs. 278, by Dumbar, zynde, door verplaatsing, by van Loon, vs. 248, luidt, by Dumbar, Ti my -- intich nimmer wisten, / by van Loon, zonder gaaping, / T my intich nimmer wisten, / en, in dit afschrift, / Ti mi twintig nimmer wisten, 't welk ik niet versta.

(40) En, onder anderen, de groote misslag, in vs. 1031, by Dumbar, zynde vs. 1029, by van Loon, MXC [correctie] en iene, In de plaats van MCX en iene.

(41) Zie Pars Katw. Oudheden. Voorr. bl. 21. [16.] Aant.
(42) Zie Mieris Charterb. III. Deel bl. 181.

(43) Cannegieter heeft (Dissert. de Brittenburg p. 68) deezen misslag in Kolyn reeds opgemerkt, en wil, daarom, in de plaats van mitte, uitte Allemangen leezen.

(44) Zie Huydecoper op Stoke, I. Deel, bl. 15, 8, 20, 17, 20, 96, 161, 161,9, 165, 33, 95.

(45) Vs. 738, 839, by Dumbar, vs. 736, 837, by Van Loon.

(46) Vs. 461, 646, 685, by Dumbar, vs. 490, 644, 683, by Van Loon.

(47) Vs. 141, by Dumbar, vs. 140, by Van Loon.

(48) Zie Huydecoper op Stoke, I. Deel, bl. 373 [?], 150, 268.

(49) Vs. 410, enz. by Dumbar, vs. 408, enz. by van Loon.

(50) Vs. 801, by Dumbar, vs. 709, by Van Loon.
(51) Vs. 1018, by Dumbar, vs. 1016. by van Loon.

(52) Vs. 1102, enz. by Dumbar, vs. 1100, enz. by van Loon.

(53) Vs. 1150, by Dumbar, vs. 1148, by van Loon

(54) Vs. 1158, by Dumbar, vs. 1156, by van Loon

(55) Vs. 154, enz. vs. 161, by Dumbar, vs. 153, enz. vs. 159, by Van Loon.

(56) Vs. 160, by Dumbar, vs. 158, by van Loon.En ti Barden woizen lezen, / Ti nog overich haben wezen / Minen daghen binnen Hegmonde; / Zolckes hab ix [ic] zo bevonden

(57) Vs. 76, 82, by Dumbar en by Van Loon.

(58) Op Stoke I. Deel, bl. 213. vergel. bl. 215

(59) Als boven, bl. 149

(60) Als boven, bl. 269

(61) Zie Huydecoper op Stoke I. Deel, bl. 205, 212, 213.

(62) Voorr. op 't Oud Batavien bl. 4.

(63) V. 54.

(64) Oud Batavien bl. 7.

(65) Vs. 72. enz.

(66) Vs. 113. enz.

(67) Oud Batavien, bl. 26

(68) Graaven bl. 35.

(69) Vs. 501. enz. [499.enz.]

(70) Vs. 434. enz. [vs. 431. enz.] Zie ook Huydecoper op Stoke I. Deel, bl. 231, 232.

(71) Oud Batavien. bl. 69, 70.

(72) Vs. 213. enz. 352. enz. [211. enz. 350. enz.]

(73) Zie Van der Schelling Holl. aloude Vryh. bl. 457, 469, 470, 471, 520

(74) Zie hier voor, bl. 210. Aant. w.

(75) Zie Van der Schelling, in de aangehaalde Plaats op bl. 213.

(76) Zie hier voor, bl. 210,
(77) III. Boek f. 119. [168].
(78) II. Boek, f. 46.
(79) Voorber. op Kolyn bl. V.

(80) Vaderl. Historie VI. Deel, bl. 232.

(81) Vid. Dousae Annal. Libr. V. p.178, 226, 369, 486.

(82) Zie J. van der Does Voorr. op Stoke. Scriverius Oud. Batavien bl. 69, 82.

(83) Zie Scriverius Toetst. op 't Goutsche Chronycxken bl. 255.

(84) In Epist. dedict. Chronici.

(85) Wy volgen de gedrukte Latynsche uitgaave van Bekas Chronyke;doch willen egter niet verbergen, dat de woorden apud Egmunsam [te Egmond ] volgens Buchelius aantekening, in zyn handschrift niet gevonden werden; gelyk menze ook niet vindt, in de oude Nederduitsche Vertaaling van Bekas Chronyke.

(86) Zie zyne Laurecrans van de Haarlemsche Druckery, XXI. Cap. bl. 104,

(87) Zie ook zyne Aant. of Stoke, I. Deel bl. 32.

(88) Zie hier voor, bl. 207,

(89) Zie Mieris Charterb. II. Deel, bl. 183.

(90) Aant. op Melis Stoke, II. Deel, bl. 560.

(91) Zie Mieris Charterb. I. Deel, bl. 134.

(92) Nov. Diplomat. Colleet. p. 362.

(93) Bl. 409. van den eersten, en bl. 387. van den tweeden, Druk.

(94) Zie Van De Wall Handv. van Dordrecht, I. Afd. bl. 3,4.

                                                   

 

Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-Oefeningen. Zevende Deels, Eerste Stuk. Amsterdam, A. van der Kroe en Yntema en Tieboel, 1778 p. 357-360 n.a.v. De Toets der egtheid van Jan Wagenaar in: Werken van de Maatschappij der Ned. Letterkunde te Leyden. Derde deel by P. v.d. Eyk en D. Vijg, 1777.

 

Buiten deeze leerzaame Taal- en Dichtkundige lessen, verleent dit derde Deel nog een opmerkzaam Stuk met betrekkinge tot het Oudheidkundige, bestaande in een Toets der Rymcronyk van Klaas Kolyn. Onze Vaderlandsche historieschryver [Jan Wagenaar] had, in de eerste uitgave van zyn Werk, het gezag van Kolyn laaten gelden, maar hy wraakte het toen zyne Vaderlandsche Historie ten tweedemaale gedrukt wierd. Diestyds liet hy 'er zig slegts over uit in algemeene beantwoordingen; doch wat laater schreef hy deeze Toets voor de Leydsche Maatschappye, die denzelven nu hier mede gemeen maakt. De byzonderheid van 't onderwerp, mitsgaders de verwagting, dat er zig eerlang nog al een Voorstander van Kolyn zal opdoen, noopt ons om den inhoud van dit Geschrift wat nader te melden, en den Leezer beknoptelyk te berigten, op welke gronden de Heer Wagenaar deeze Rymchronyk onder de verdagte of verzonne Schriften plaatst. Aanvankelijk brengt hy de berigten, nopens de zogenaamde ontdekking van dit Geschrift van Kolyn, of liever van een voorgegeeven Affschrift van 't zelve, in eene geregelde orde; en meldt ons tevens langs welken weg die Rymchronyk, agting verworven hebbende, door den Druk gemeen gemaakt is, eerst door Dumbar [1719] en vervolgens door van Loon [1745]; welke laatste nogtans geen byzonder Affschrift bezeten, maar Dumbars uitgave gevolgd heeft. Dumbar schynt, naar luid van 't voorgestelde, gebruik gemaakt te hebben van een Afschrift van het Afschrift, dat Alkema zegt gekogt te hebben als een Afschrift van het Oorspronglyke, 't welk geheel onbekend gebleeven is. Voorts maakt de Heer Wagenaar nog gewag van een ander Afschrift, dat Alkemade den Advocaat Fiscaal van Limborch geleend had, als mede van een geschreeven Kolyn, toen in handen van den nu onlangs overleeden Hoogleeraar P. Burmannus Secundus; die, naar allen schyn, jong, na Dumbars, en mogelyk zelfs na van Loons uitgave geschreeven zal zijn. [NB. Adriaan Kluit heeft dit afschrift aangeduid als corpus delicti, d.i. het afschrift dat Cornelis van Alkemade kocht van Reinier de Graaf.] In deeze laatstgemelden zyn eenige weinige gaapingen, die in de opgenoemde uitgaven gevonden worden, ingevuld, doch ze zyn van geen weezenlyk aanbelang. De Heer Wagenaar, dit afgehandeld hebbende, brengt zyne reden te berde, welken hem beweegen, om zig te verklaaren tegen het gevoelen van hun, die willen dat deeze Rymchronyk een Geschrift zou weezen, van eenen Klaas Kolyn, die omtrent eene Eeuw vroeger dan Melis Stoke, of in de twaalfde Eeuw, geschreeven zou hebben; waar tegen hy tragt te toonen, dat 'er veele eb gewigtige reden zyn, om die Chronyk niet voor egt te houden. Zonder bepaaldlyk agt te geeven op de gissing, of de naam van Klaas Kolyn ook ontleend zou kunnen weezen van eenen Claes Colyn, omtrent den jaare 1380, geduurende het houden der Paardenmarkt te Valkenburg, doodgesslaagen, verdient hier zyne opmerking, dat de taal van deezen zogenoemden Kolyn, gelyk de Heeren Wagenaar en Huydecoper bespeurd hebben, t' eenemaal verschilt van die, welke hier te Lande, in de twaalfde Eeuw, geschreeven werd. Dit geeft natuurlyk rede van verdenking; egter is het zo niet, of 'er zou kans zyn, om deeze rede te verwakken, zegt zyn Ed., zo 'er van de andere zyde een bondig bewys voor de echtheid gegeeven konde worden. Maar, by mangel hier van, is deeze rede niet verwerpelyk; te minder, daar 'er nog andere reden van twyfeling zyn. De schryfwyze toch, gelyk de Heer Wagenaar vervolgt, baart verdenking. Kolyn geeft voor geleefd te hebben, ten tyde van Graaf Florens den III, die van 't jaar 1157 tot 1191 geregeerd heeft.*

*Kolyn geeft aan, dat hij in de tijd van graaf Floris - zonder volgnummer - leeft. Dat hiermee graaf Floris III wordt bedoeld blijkt niet uit de tekst, maar is door Cornelis van Alkemade geconcludeerd uit de de sterfdatum van de laatste behandelde graaf Dirk VI (1156), die opgevolgd werd door graaf Floris III. De graven Floris III en Floris IV waren geen graven die een groet gepens (opus magna) verdienden en daarvan zou een Egmondse monnik niet beweren, dat die billijk en naar wens regeerden. Met de ongenummerde graaf Floris wordt zeker graaf Floris V bedoeld op wie dit wel van toepassing is. Bovendien is hij een tijdgenoot van abt Nicolaas van Sassenheim (1263-1269).

Hy spreekt zomtyds van dingen, lang voor dien tyd geschied, als of hy ze alleen uit mondelinge verhaalen wist; en hy spreekt weder van andere gebeurtenissen, korter voor dien tyd voorgevallen, als of hy de in geschiedschriften gezogt of gevonden had; daar 't niet waarschynlyk is, dat 'er van die voorvallen reedsvry wat geschreven zou zyn, ten tyde van dien Graaf. Dit geeft grond om te denken, dat de Schryver vergeeten heeft in wat tyd hy wilde gehouden worden geleefd te hebben. Kolyn beroept zig op oude Boeken in 't Klooster van Egmond, die hy [onleesbaar] zou hebben, en schynt zelfs te kennen te geeven, dat [onleesbaar] de aloude gezangen der Barden nageschreven [onleesbaar] niet wel strookt, dat Melis Stoke niets van dat [onleesbaar] zoude moeten vooronderstellen, dat alle [onleesbaar] zoek geraakt waren. Maar buiten [onleesbaar] uit die oude Stukken, dan 't geen wy [onleesbaar] Caesar, Tacitus en anderen wisten, en 't geen men by Dousa, Scriverius en andere laatere Schryvers leezen [onleesbaar] De Heer Wagenaar, dit alles nagaande, oordeelt het waarschynlyk, dat de opsteller deezer Chronyk met eene kennis van oude boeken en geschriften heeft willen pronken, die hy niet gehad heeft, noch kon hebben*: en dat zyn werk van veel laater tyd is, dan hy ons wil doen gelooven.

*Uit de tekst van de Rijmkroniek kan worden opgemaakt, dat Klaas Kolyn (voordat hij abt werd) werkzaam is geweest op het grafelijke scriptorium van het klooster van Egmond en daarna een onderwijstaak had. Het is ook bekend, dat Abt Nicolaas het scriptorium nieuw leven ingeblazen heeft en dat hij initiator is geweest van onderwijsvernieuwing. In zijn tijd werd de kloosterschool opengesteld voor burgerleerlingen, waarvoor nieuw lesmateriaal in de landstaal moest worden ontwikkeld.

Het geen hem in dit denkbeeld versterkt, is, dat de vergelyking van Stoke en Kolyn hem grond geeft, om te beweeren, dat Kolyn, of de Schryver die zyne Personaadje heeft willen speelen, de Rymchronyk van Stoke voor zig gehad, en dikwils uitgeschreeven heeft; waarvan zyn Ed., in navolging van den Heer Huydecoper, verscheiden staalen bybrengt. Dit stelt de Heer Wagenaar in zodanig een sterk licht, dat het den Voorstanderen der egtheid van Kolyns Chronyk, naar 't ons voorkomt, moeite zal baaren, om Kolyn nog voor een ouder Schryver dan Stoke te doen doorgaan: en dit niet waar zynde, is Kolyn, die voorgeeft in de twaalfde Eeuw* geschreeven te hebben, een verdicht Schryver, die jonger is dan Stoke, welke leefde in 't afloopen der dertiende en 't begin der veertiende Eeuw.

*Kolyn geeft zelf niet aan, dat hij in de twaalfde eeuw leefde. Die conclusie komt voor rekening van Cornelis van Alkemade en is gebaseerd op de onjuiste identificatie van de ongenummerde graaf Floris met graaf Floris III, die in de twaalfde eeuw leefde in plaats van graaf Floris V in de dertiende eeuw.

Langs dien weg zou deeze Chronyk van Kolyn, ten hoogste genomen, een Geschrift, niet van de twaalfde, maar van de veertiende Eeuw kunnen zyn: edoch ook deeze ouderdom komt het zelve niet toe, volgens den Heer Huydecoper, wiens gedagten de Heer Wagenaar verder aandringt. Eene vergelyking van Kolyns Chronyk, met de Schriften van Scriverius, die in den jaare 1660 overleed, beweegt die Heeren, om staande te houden, dat de vermomde Kolyn na Scriverius geschreeven, en zyne rymen, uit het onrym van dien geleerden, opgesteld heeft. Dit doet den Heer Wagenaar, na 't bybrengen van eenige opmerkingswaardige byzonderheden, die 'er aanleiding toe geeven om alzo te denken; schrijven: 'Mag men nu niet vraagen, of een Schryver, die, door den ganschen loop van zyn werk, een is met Scriverius; die met Scriverius overeenkomt, in 't geene deze geleerde man, over onze oude Graaflyke Historie, gegist heeft; ja, in zulke gissingen zelfs, die hem in 't byzonder eigen zyn, niet moet geagt worden na Scriverius geschreeven te hebben ? Enzo de vermomde Kolyn zulks gedaan heeft; kan men dan nalaaten, zyn schrift, met den Heere Huidecoper, onder de jonge verdigte Schriften te stellen ?' Eindelyk merkt de Heer Wagenaar nog aan, dat het niet blykt, dat iemand ooit een oud Handschrift van Kolyns Kronyk gezien heeft, zelfs geen Handschrift van 't begin van de zeventiende Eeuw; ja dat men nooit verklaard heeft, het Handschrift, van 't welke Alkemade een Afschrift gehad zou hebben, gevonden te hebben. Hy toont verder dat de Historie, welke men verhaalt, om rede te geeven van het gemis der oude Handschriften, geengrond heeft, en zelfs tegen de waarschynlykheid aanloopt: mitsgaders dat het, alles toegestaan zynde wat men ten deezen opzigte verhaalt, gansch onwaarschynlyk is, dat 'er zulk een oud Handschrift geweest zou zyn; en dat 'er, niettegenstaande alle de vroegere navorschingen naar oude Papieren, een volstrekt stilzwygen van Kolyns Chronyk geheerscht zou hebben, tot op het begin der achtiende Eeuw. Dit alles te samen genomen moet, zegt de Heer Wagenaar, onzes oordeels, elk onpartydigen doen besluiten, 'of dat de Rymchronyk van Klaas Kolyn, eerst omtrent den aanvang deezer eeuwe verdigt is, of, ten minste, dat de oudheid en egtheid derzelve, door geene eene goede reden, beweezen wordt, en dat 'er, daarentegen, verscheiden redenen zyn, om het werkje, onder de verdigte Schriften, te tellen.' Vraagt men ten laatste, wien men dan voor den verdigter van dit Stuk te houden hebbe, zo is het antwoord van den Heer Wagenaar, dat hy, daaromtrent, weinig meer dan bloote gissingen weet voor te stellen: egter kan men uit het geen hy, wegens het gehouden gedrag van Alkemade, bybrengt, niert onduidelyk afneemen, dat hy 'er Alkemade zelven eenigzins voor verdenkt. 'Nogtans willen wy', zegt hy, ten slot, 'met dit alles, Alkemade niet voor den Verdigter verklaaren. Mogelyk zyn 'er redenen te bedenken, die hem konnen verontschuldigen. En wy zouden hem gaarne verdeedigen willen, indien 't zeker was, gelyk, voor weinige jaaren, uit den mond van wylen Frans van Mieris, door den Heere Gerhard Meerman verhaald is, dat de Verdigter van Kolyns Chronyke, niet Alkemade, maar Hendrik Graham, Advokaat in 's Hertogenbosch, geweest is (*), die dan het Afschrift, welk Alkemade bezeten heeft, aan hem zou moeten verkogt hebben. Doch ook hiervan hebben wy geene genoegzame zekerheid. Ondertussen kan zugt naar naar de eer van voor een bezitter van oude en raare schriften te worden gehouden; of begeerte naar het voordeel, dat men zig belooft uit het venten van zyne eigene verdigtzels voor egte stukken, menschen van geen regt eerlyke beginsels, somtyds, beweegen, om valsche Schriften voor den dag te brengen. Wenschelyk is 't, in deeze verlichte eeuw, nooit wederom, met zulk een uitslag, doen mogen, als zy 't, naar alle waarschynlykheid, met de Rymchronyke van den zogenaamden Klaas Kolyn, gedaan hebben.'

(*) Zie v.d. Wall, Handv. v. Dorecht, I Afd. bl. 3,4.

Jan Wagenaar had voor zijn Toets van de Egtheid uitsluitend de beschikking over de publikatie van de Rijmkroniek van Klaas Kolyn door Gerhard Dumbar (1719). Daarvan had hij voor eigen gebruik een afschrift gemaakt. Hij was er wel van op de hoogte, dat er een afschrift in omloop was, waarin versregels stonden, die bij Dumbar ontbraken. Evenals Balthasar Huydecoper is Wagenaar er van uitgegaan, dat de Rijmkroniek een mystificatie uit het begin van de 18de eeuw was, waarvan hij in navolging van Huydecoper in feite Cornelis van Alkemade verdacht. Hoewel hij sterke overeenkomsten zag tussen de Rijmkroniek van Klaas Kolyn en de werken van Petrus Scriverius, heeft hij zich niet afgevraagd of Scriverius niet zelf de schrijver van de Rijmkroniek zou kunnen zijn geweest. Balthasar Huydecoper is dan wel de ontdekker van de valsheid van de Rijmkroniek geweest, maar eerst na de publicatie van de Toets geloofde vrijwel niemand meer in de echtheid van de Rijmkroniek.

                                             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.klaaskolijnnet.nl  2009